Archief voor januari, 2012

11 januari 2012

Bij de mogelijke teloorgang van Selexyx. (2) Boeken zoeken

.:.

Waar ging het ook alweer over? O ja, over de opgang en neergang van Selexyz, waarvan we momenteel nog niet weten of het een definitieve teloorgang wordt.

 -

Zoeken
Over de oorzaken ga ik niet veel zeggen. Achteraf weten we dat we, net als het het geval is met de kranten, in onze levensdagen het hoogtepunt hebben meegemaakt. Zoals dagbladen de afgelopen decennia steeds dikker en vooral steeds mooier werden – maar lelijker dan vooral vele regionale dagbladen in de jaren zeventig waren, kon waarschijnlijk ook niet -, gold dat ook voor boekhandels. Je kunt zeggen wat je wilt en ook al kom je misschien liever bij zaken als Athenaeum of Kirchner, boekhandels van de omvang van Donner in Rotterdam of Scheltema in Amsterdam hadden we voordien nooit. Maar misschien werden ze te groot. En juist ten opzichte van de omvang begon de verschraling een aantal jaren geleden al op te vallen.

Toch zit er in die klacht iets merkwaardigs. Hoeveel boeken kopen we nu eigenlijk per jaar? Enkele tientallen? Enkele honderden? Dan houdt het voor de meesten van ons wel op, schat ik zo. Er is meer dan genoeg te lezen. Bijna alles van de laatste eeuwen is er immers nog – op juist veel verspreid gebruiksdrukwerk na vaak. En als het klassiek werd, kun je het voor bijna niks als pocket kopen en gratis op internet lezen, en anders kun je altijd nog in de grote academische bibliotheken terecht. En er komt elkaar jaar weer onnoemelijk veel bij. We hebben nu veel meer tot onze beschikking dan in 1972 of 1992.

Maar het punt is dat je boeken enerzijds gericht zoekt, en ik schat dat van veel boeken die ik pleeg te kopen of in het algemeen wil lezen, de oplage onder de duizend zal liggen – bij bestsellers van het type Dick Swaab, de man die dus identiek is aan zijn brein en in dit geval wat mij betreft ook aan zijn boek, wacht ik wel tot ik het boek een keer in een kringloopwinkel of een bak voor een antikwariaat aantref – en dat je anderzijds wilt grasduinen om iets specifieks te vinden. En dat gerichte zoeken is steeds meer overgegaan naar internet. Als je weet wat je zoekt, heb je daar direct resultaat.

Slavoj Žižek zei in een interview in de Berliner Zeitung onlangs dit en de cursivering is van mij:

‘Die schönen Buchhandlungen, in denen man stöbert und etwas findet, sterben aus. In ganz New York gibt es nur noch eine richtige Buchhandlung. Ich kenne die Situation hier in Frankfurt nicht. Aber in Berlin gibt es zum Beispiel in Charlottenburg die kleine, großartige Buchhandlung Knesebeck 11. Da finden Sie, wonach Sie nie gesucht haben. Bei Amazon können Sie nicht suchen. Da können Sie nur einen Titel bestellen, den Sie schon kennen. Das ist auch der Unterschied zwischen einer Tageszeitung und dem Netz. Das Netz ist so groß, dass sie dort nur finden, wonach sie suchen. In einer Zeitung dagegen werden sie auf Sachen gestoßen, von denen sie nichts wussten. In einer guten Zeitung, wohlgemerkt. Das klingt verrückt. Ich weiß. Aber es ist so.’

-

Grasduinen
Žižek heeft dit keer aardig wat gelijk, maar ook niet helemaal. Juist op internet word ik ook onverwacht van het ene thema naar het andere geleid. En ook daar heb je overzichtspagina’s met onderwerpen waar je zelf nooit opgekomen zou zijn.

Er is één ding dat me aan grote boekhandels als die van Selexyx verwonderd heeft: dat men de combinatie van grasduinen en zoeken niet beter ontwikkeld heeft. Ik zoek thuis een titel op en ga dan meestal naar de boekhandel, maar als je hem daar niet vindt en het boek bestellen wilt, kijken ze je steeds vreemder aan. Wie doet dat nou nog? En dat is het punt waar naar mijn idee de boekhandel de boot gemist heeft.

Men kan wel stellen dat boekwinkels eerder present hadden moeten zijn geweest op internet, maar zou dat geholpen hebben? Zien we niet dat juist internet versimpelt en enkele groten in de zoekresultaten automatisch boven doet komen drijven? Een soort ruimtelijke tendens tot monopolievorming, zou je misschien kunnen zeggen, ondanks de veronderstelde doorzichtigheid van de internetmarkt. Als mensen niet gericht eerst naar de site van een specifieke boekhandel gaan, maar zo een titel invoeren, komen toch al gauw de bekende verkoopsites bovenaan op je scherm te staan. Ik denk dat men het had moeten zoeken in het bieden van meer zoekmogelijkheden in de winkels.

-

Beeldschermen
Vanaf de jaren tachtig, vermoed ik, verschenen de computerschermen in de bibliotheken. Na de kaartenbakken met papieren fiches herinner ik me trouwens nog een tussenstadium waarin de hele bibliotheek op een soort microfiches stond, die in één map pasten en die je in een speciale lezer, een apparaat bedoel ik daar nu mee, moest stoppen. Althans de VU-bibliotheek heeft een tijdje zo gewerkt. Ik kan me niet herinneren dat de UB aan het Singel zoiets uitgeprobeerd heeft. Maar daarna verschenen dus de beeldschermen. Eerst kon je slechts een deel van de titels, met name de nieuwere, zo vinden, maar langzaam breidden de mogelijkheden zich uit en kon je ook in de NCC, de Nederlandse Centrale Catalogus, kijken en hoefde je voor een poging alle relevante literatuur te vinden niet meer naar de KB in Den Haag te reizen. En nog weer wat later kon je dus thuis achter je eigen computer boeken in catalogi over de hele wereld zoeken.

Maar wat ik nooit begrepen heb, is waarom zulke beeldschermen niet ook in winkels verschenen. Natuurlijk, je hebt vriendelijke boekverkopers die graag iets voor je opzoeken. Maar ze tikken dan iets voor jou in, terwijl je dat zelf ook best zou kunnen. Dat is raar. En je valt ze alleen maar lastig als je echt gericht naar iets op zoek bent. Waarom staan er al niet minstens tien jaar schermen waarop je zelf kunt zoeken en via dewelke, mocht een werk niet op de plank staan, je het direct, uiteraard via die boekhandel, kunt bestellen? Je kunt het dan misschien heel snel daar ophalen of het boek kan je thuis toegezonden worden. Maar voor veel mensen die bijvoorbeeld op universiteiten of op kantoren in binnensteden werken, is het gedoe met pakjes die thuisbezorgd worden – en dan tegenwoordig via buren afgeleverd worden (steeds vaker belt de pakjesbezorger bij mij aan vanwege andermans spullen) – helemaal niet handiger dan een dag of een paar dagen later weer langs gaan.

-

Voorbij?
Selexyz zette wel van die gele plastic stoelen in de winkels, die niet echt uitnodigden tot een gezellige en langdurige zit. Bij Barnes & Noble in New York waren tien jaar geleden al werkelijk comfortabele zetels neergezet en stonden er ook tafels waaraan studenten de hele dag hele boeken uit de kasten, die er dan zeer gebruikt uit begonnen te zien, zaten te bestuderen, onderwijl druk notities makend. Daar heeft Selexyz nooit voor gekozen: van de boekhandels werkelijk centra van studie, gedachtewisseling en gezelligheid maken, waar je zowel gericht naar boeken kunt zoeken als kunt grasduinen. En met een slimmere combinatie met zelf zoeken in de winkels en op internet had men van de planken ook meer een openbaar magazijn kunnen maken. Het is waar dat veel titels niet snel verkocht worden, maar als je boeken van de planken ook in je verzendsysteem opneemt, wordt het al anders (en geef dan desnoods wat korting voor ‘lichte beschadiging’).

Maar misschien loopt dit hele verhaal wel enorm achter en is het einde van het fysieke boek nabij en daarmee ook de functie van de klassieke boekhandel, waarmee ook mijn idee van een ideale zoekboekhandel spoedig geen nut meer heeft. Ik heb echt geen idee. Steeds meer mensen stappen over op e-readers en als die echt fijner lezen, dan weegt het verlies toch niet op tegen de winst? Ik ben nog niet zover, maar ook ik haal het grootste deel van mijn dagelijkse informatie van het scherm. Sommige dingen lees ik liever op de computer, andere liever op papier. Atlassen, mooie geillustreerde werken blijven op papier voorlopig veel indrukwekkender, lijkt mij. Misschien komt er een soort automatische, vanzelfsprekende verdeling, we zullen zien.

-

Sensatie
Ik zou het echt niet weten. En toch, neem nou dat eenvoudige boekje over de Amsterdamse boekhandels uit 1984. Dat soort informatie kun je tegenwoordig echt veel beter op internet vinden. Maar zelfs het ter hand nemen van dat onpretentieuze werkje boekje geeft al een kleine, in dit geval bijna vanzelfsprekende historische sensatie, die je op internet mist. De ervaring hoe een boek dat ooit fris en nieuw was, ineens, voordat je het doorhebt, een beetje oud blijkt te zijn. Op de een of andere manier verschaft dat ding als fysiek exemplaar informatie die het scherm nooit prijs zou geven.

Maar goed, dat is er allemaal en dat blijft er ook wel. Ik ben eigenlijk vooral benieuwd hoe het verder gaat. En hoe dat ook zal zijn, de meeste mensen zullen dat waarschijnlijk als vooruitgang ervaren. Misschien ook wel zonder de wat onhandige verspreidingscentra die boekhandels nu eenmaal vormden voor de honderdduizenden of miljoenen boeken die op de markt zijn.

(53)

10 januari 2012

Bij de mogelijke teloorgang van Selexyz. (1) Herinneringen

.:.

Onlangs stormde ik bij Scheltema Selexyz in Amsterdam – aan die officiële kleine lettertjes ga ik maar eens niet meedoen – nietsvermoedend de laatste trap naar boven op. Ik bleek ineens in een soort galerie te staan. Vast ook mooi, maar ik kwam voor boeken.

-

Op het Spui
Vroeger kwam ik vaak helemaal bovenin, omdat de ramsjafdeling daar toen zat. Dat was in de tijd dat de winkel nog kleiner was en alleen het voorste pand aan het Koningsplein besloeg. Ik beschouw dat trouwens altijd nog als de nieuwe locatie, omdat Scheltema Holkema Vermeulen naar mijn idee eigenlijk op of in dit geval eerder aan het Spui hoort te zitten en nog niet zo lang geleden naar het Koningsplein verhuisd is. Daar, waar nu de kleertjes van Esprit verkocht worden, zat de boekwinkel toen ik in Amsterdam kwam wonen. De dingen horen nu eenmaal te zijn zoals ze waren toen je ze voor het eerst aantrof.

Hoewel ik echt de plattegrond van de verschillende verdiepingen niet meer zou kunnen uittekenen, schieten me soms nog wel beelden te binnen, die vaak verbonden zijn aan concrete boektitels of namen: een nieuwe roman van Vonne van der Meer tussen alle andere, waarvan ik nu pas ontdek dat die helemaal niet van haar was (maar ik ga u lekker niet verklappen hoe het wel zit), de foto van de jonge debuterende Thomas Rosenboom en exemplaren van De mensen thuis (1983) in een vitrine in de Rozenboomsteeg, ja hoor, achter de winkel, die de verbinding tussen Spui en Kalverstraat vormt. Hoe ik in die winkel ooit Personal Impressions en Concepts and Categories van Isaiah Berlin voor een habbekrats uit een bak haalde. Maar ook hoe ik Joan en Gerrit Corver. De politieke macht van Amsterdam (1702-1748), het proefschrift van Antonio Porta uit 1975, voor een spotprijs op de stapel bij de ingang liet liggen. Voorbij, voor immer voorbij.

-

Naar het Koningsplein
Maar de dingen veranderen en niets illustreert dat beter dan mijn pogingen om mijn herinneringen te checken. Om te controleren of de boekhandel destijds echt zo heette als ik meende, pakte eerst het boekje De boekhandels van Amsterdam van Clara Hillen uit 1984 erbij. Ik viel met mijn neus in de boter, want het gaf niet alleen de naam en de adresgegevens van het pand dat ik kende, maar vermeldde dat de boekhandel per 1 januari 1985 zou verhuizen naar het Koningsplein, ‘waardoor de boekhandel een wat overzichtelijker karakter zal kunnen krijgen. Daar zullen ook schilderijen verkocht worden.’ Met die galerie is dat alsnog uitgekomen, al heb ik even vergeten te kijken wat er nu te zien was. De laatste zin wil ik u niet onthouden: ‘Het personeel bij Scheltema is vriendelijk en bekwaam.’

Maar ik had dezelfde gegevens misschien net zo goed direct op dit scherm kunnen opzoeken. Zelfs Wikipedia verandert mijn perceptie al onmiddellijk, want het laat me onmiddellijk zien dat de winkel slechts tien jaar heeft gezeten op de plek die voor mij zo klassiek was. Pas in 1975 betrok de winkel het zogenaamde Afrikahuis, al was dat niet het moderne parochiegebouwtje in de Pijp waar de online-encyclopedie naar linkt, maar het heel wat imposantere en misschien inmiddels zelfs wel monumentale pand waar tussen 1929 en 1969 de Holland-West-Afrika Lijn (H.W.A.L.) kantoor hield. Kortom, de winkel was een stukje verderop aan het plein waar Athenaeum toen al zat, neergestreken. Van de een liep je altijd even naar de ander, zoals je nu van Athenaeum naar ABC (The American Book Center) en soms misschien nog naar Waterstone’s gaat.

Voordat het pand aan het Koningsplein betrokken werd, werd daar op de benedenverdieping tijdens de verbouwing enige tijd ramsj verkocht. Ook daar herinner ik me sommige titels van. Hoe tien jaar in één band gefotokopieerde Intermediair-artikelen van Rinus van Schendelen voor bijna niks te krijgen waren en ik ze toch niet meenam. Veel exemplaren lagen er bijvoorbeeld ook van een Suhrkamp-boekje van Dolf Sternberger en toen ik een bekende maar niet overmatig veel publicerende hoogleraar geschiedenis even later met enig aplomb in een toespraak het een en ander over enkele alom bekende ideeën van deze Duitse politicoloog hoorde verkondigen, dacht ik: die heeft daar ook zo’n boekje voor twee gulden of een rijksdaalder uit een bak gevist.

-

Nog groter
Het tweede pand, waar ik gezien mijn vermelding van het voorste pand al op zinspeelde, werd, lees ik nu, in 1999 bij de winkel getrokken. Het staat er in feite aan de Herengracht naast, maar gezien de plaats van de ingang ligt het achter het oorspronkelijke. (Eigenlijk bestaat het deel direct aan het Koningsplein trouwens uit twee panden, vandaar ook hoogteverschillen.) De ramsjafdeling zit al vrij lang op wat tegenwoordig waarschijnlijk de tweede verdieping heet, maar in feite gewoon de eerste verdieping op de hoek van Koningsplein en Herengracht is. Ik let trouwens nooit op die aanduidingen, omdat ik de indeling van de winkel zo wel ken. Zo af en toe werd er eens wat geschoven. Zaten filosofie en geschiedenis bijvoorbeeld een tijd op wat wel de derde zal heten, aan de voorkant, op een gegeven moment werden ze naar het achterste pand verplaatst. Met de benedenverdieping werd ook wel eens geëxperimenteerd: vol, nogal leeg, weer tamelijk vol, dat soort dingen.

Helemaal bovenin kwam ik niet zo vaak meer, maar soms wel even om bij rechten te kijken. Je moest dan helemaal naar boven en dan links iets naar beneden in het tweede pand. Het is niet mijn vak, maar het leuke van een boekhandel is dat je oppervlakkig wat ontwikkelingen kunt bijhouden. Maar de laatste jaren viel het al niet mee. Een beetje overzicht van de goede recente rechtsfilosofische of staatsrechtelijke literatuur kreeg je nauwelijks meer. Per afdeling stonden er slechts weinig titels. Ik heb geen idee waar juristen hun boeken dan wel kopen in Amsterdam. Of kopen juristen geen boeken? (Een van de grote raadsels van onze tijd is ook al dat zelfs zeer toegankelijke juridische literatuur nauwelijks in de kranten besproken wordt.)

-

Triest
Een paar dagen geleden was de aanblik helemaal treurig. Op de geschiedenisafdeling en elders waren de kasten slecht gevuld. Grote delen van de planken waren leeg en ook verder maakt de winkel een erg lege indruk, op de her en der verspreide dozen met uitverkoop na dan. Het zag er zo zielig uit dat ik ook geen zin meer kreeg om de nog wel aanwezige boeken te bekijken. Ik ben de winkel zo snel mogelijk ontvlucht: te akelig om aan te zien.

Het verbaasde me dan ook niet dat Trouw maandag meldde dat het slecht gaat met Selexyx. Of daar iets aan te doen was geweest, weet ik niet, maar op één ideetje ga ik morgen verder in.

(52)

6 januari 2012

Coleridge bij de waterval

.:.

Verheven of aardig
Toen ik hier gisteren een stukje over hedendaags subjectivisme en de aanspraak op geldigheid die besloten ligt in waardeoordelen, schreef, had ik aanvankelijk het plan om ook iets aan te halen van wat C.S. Lewis (1898-1963) in zijn boekje The Abolition of Man (1943 of 1944, de opgaven verschillen [zie reacties van Arend Smilde hieronder]) schrijft. Het was dan ook treffend dat Evert te Winkel in een reactie direct op dat boekje wees. Maar ook omdat ik me voorgenomen had te proberen de lengte van mijn stukjes niet nodeloos uit te breiden, had ik besloten om het te houden bij wat ik geschreven had.

Jacob More, The Falls of Clyde (Corra Linn), waarschijnlijk 1771 (National Galleries of Schotland)

Maar het is misschien wel aardig om afzonderlijk terug te komen op wat men het verhaal van Coleridge en de waterval zou kunnen noemen. Lewis begint zijn boek met een verwijzing naar een klein leerboek voor ‘boys and girls in the upper forms of schools’, waar hij inhoudelijk niet veel goede woorden voor over heeft. Lewis schrijft: ‘I do not want to pillory two modest practising schoolmasters who were doing the best they knew: but I cannot be silent about what I think the actual tendency of their work.’

Hij verborg dus de namen van de twee auteurs achter de aanduidingen Gaius and Titius en duidde hun boek aan als The Green Book. Dat was nog voor internet. Nu kun je gewoon op Wikipedia lezen dat het ging om The Control of Language. A Critical Approach to Reading and Writing (1939) van de hand van Alex King and Martin Ketley. Dit is hoe Lewis hun boek als uitgangspunt voor nadere eigen beschouwingen neemt:

‘In their second chapter Gaius and Titius quote the well-known story of Coleridge at the waterfall. You remember that there were two tourists present: that one called it ‘sublime’ and the other ‘pretty’; and that Coleridge mentally endorsed the first judgement and rejected the second with disgust. Gaius and Titius comment as follows: ‘When the man said This is sublime, he appeared to be making a remark about the waterfall … Actually … he was not making a remark about the waterfall, but a remark about his own feelings. What he was saying was really I have feelings associated in my mind with the word “Sublime”, or shortly, I have sublime feelings‘. Here are a good many deep questions settled in a pretty summary fashion. But the authors are not yet finished. They add: ‘This confusion is continually present in language as we use it. We appear to be saying something very important about something: and actually we are only saying something about our own feelings.’

-

Gevoelens
Deze manier van denken hing in die dagen in de lucht. Denk aan de wijze waarop A.J. Ayer (1910-1989) in zijn spraakmakende Language, Truth and Logic (1936) betoogde dat als hij tegen iemand zei dat die verkeerd handelde door geld te stelen, hij niet meer beweerde dan wanneer hij eenvoudigweg had gezegd ‘jij stal dat geld’. Ayer vervolgde onder meer (p. 110-111 in de gelinkte editie, p. 142-143 in de Penguin-uitgaven na 1946 met een lange, nieuwe inleiding):

‘If now I generalize my previous statement and say, “Stealing money is wrong,” I produce a sentence which has no factual meaning. It is clear that there is nothing said here which can be true or false. Another man may disagree with me about the wrongness of stealing, in the sense that he may not have the same feelings about stealing as I have, and he may quarrel with me on account of my moral sentiments. But he cannot, strictly speaking, contradict me. For in saying that a certain type of action is right or wrong, I am not making any factual statement. I am merely expressing certain moral sentiments. And the man who is ostensibly contradicting me is merely expressing his moral sentiments. So that there is plainly no sense in asking which of us is in the right. For neither of us is asserting a genuine proposition.’

Tja, ik geloof dat hier weinig commentaar bij nodig is. Alsof waar en onwaar de enige oordelen zijn die er toe doen, en goed of slecht niet zeker zo relevant kunnen zijn. Alsof feitelijke mededelingen alleen zo interessant zijn. Ik zou zeggen dat het onze waardering is die feiten boeiend maken, waarbij die waardering dus geen puur subjectieve toevoeging is, maar door die feiten opgeroepen wordt. En het is natuurlijk niet waar dat het bij morele oordelen alleen om individuele gevoelens gaat, juist bij een morele aanspraak verwachten we dat anderen die niet zonder reden (in meer of mindere mate) delen. Het lijkt me overigens dat het werkwoord stelen al genoeg zegt: waarom zouden we dat nodig hebben naast bijvoorbeeld meenemen, als waardeoordelen geen objectieve, gedeelde functie hadden? Of dacht Ayer alleen maar dat dat nu eenmaal de objectief door de wet gegeven definitie was en daarom eerder feitelijk dan evaluatief?

Maar terug naar C.S. Lewis. Die maakt allerlei kanttekeningen die u zelf maar eens moet nalezen. Hij merkt onder meer op dat omzetting van ‘dit is subliem’ in ‘ik heb sublieme gevoelens’ nogal ondoordacht is. Als het over de corresponderende gevoelens gaat, moet het zijn ‘I have humble feelings’. Sommige grote dingen roepen een gevoel kleinheid of misschien verering bij je op. Dan zijn de hedendaagse maardatvindjij-ers nog net iets slimmer. Maar de kern zal iedereen, denk ik zo wel zien. Iemand die bij een niet al te kleine waterval opmerkt dat hij onder de indruk is, lijkt gepaster te reageren dan iemand die langs zijn neus weg opmerkt dat hij het wel een aardig dingetje vindt. Er is een scala aan reacties mogelijk, maar niet alle reacties zijn even geëigend of zelfs redelijk.

-

Coleridge en Wordsworth
Maar nu dit. Tegenwoordig hebben we Google en niet alleen vind je dan dus direct de werkelijke namen van Gaius en Titius, maar als je Coleridge en waterfall invult, stuit je ook al gauw op een fragment uit Recollections of a Tour Made in Scotland A.D. 1803, pas in 1874 postuum gepubliceerd, waarin Dorothy Wordsworth (1771-1855) in dagboekaantekeningen beschreef hoe zij samen met haar broer William Wordsworth (1870-1850) en zijn al even dichterlijke vriend Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) op zondag 21 augustus 1803 de waterval Cora Linn bezocht.

‘A lady and gentleman, more expeditious tourists than ourselves, came to the spot; they left us at the seat, and we found them again at another station above the Falls. Coleridge, who is always good-natured enough to enter into conversation with anybody whom he meets in his way, began to talk with the gentleman, who observed that it was a majestic waterfall. Coleridge was delighted with the accuracy of the epithet, particularly as he had been settling in his own mind the precise meaning of the words grand, majestic, sublime, etc., and had discussed the subject with William at some length the day before. “Yes, sir,” says Coleridge, “it is a majestic waterfall.” “Sublime and beautiful,” replied his friend. Poor Coleridge could make no answer, and, not very desirous to continue the conversation, came to us and related the story, laughing heartily.’

Dit moet het fragment zijn dat Lewis en vooral de beide door hem bekritiseerde leraren in hun hoofd hadden, maar dat hen dan ook niet accuraat voor de geest stond, dacht ik direct. In zo’n geval hoef je alleen maar even op de site Lewisiana van Arend Smilde, die alles van C.S. Lewis weet, te kijken en ja hoor, hij had dit allang gezien. Hij merkt op dat niemand de watervall ‘pretty’ noemt

‘and there does not appear to be any violent disagreement or disgust. If this is the only source for the story – i.e. if this is the story (??) – Lewis clearly failed to check both Gaius & Titius and his own memory.’

-

Majestueus of subliem
Voor de inhoud van het betoog lijkt me dat niet napluizen van de aanhaling overigens geen ramp. Ik weet alleen niet goed hoe ik de woorden van William Wordsworth [toevoeging: helemaal fout, zie naschrift] nu precies moet interpreteren. Coleridge zegt dat de waterval majestueus is. Als zijn vriend Wordsworth daarop zegt dat die verheven en mooi, is op welke wijze zinspeelt hij dan precies op de opvattingen van Coleridge? Met andere woorden zou die de termen op zich passend vinden of net niet? Het lijkt erop dat Dorothy Wordsworth wil zeggen dat Coleridge de in zijn eigen ogen meest geschikte typering gaf – accuracy en precise meaning zijn de woorden die vallen - en dat zijn vriend William Wordworth een grapje maakt door opzettelijk verwante of naburige, maar hier net iets minder passende termen te noemen.

De ironie zou dan dus willen dat het door Lewis op het schild geheven sublime door Coleridge in deze specifieke situatie juist licht afgekeurd zou zijn, al zal niemand ontkennen dat het tegen pretty altijd nog aangenaam afsteekt. Het komt mij wel voor dat majestic een betere term is, maar dat komt ook omdat ik met subliem of verheven nooit goed raad heb geweten. Ik heb heel wat uren op de afdeling Zeldzame en Kostbare Werken doorgebracht, gebogen over achttiende-eeuwse teksten, en het begrip van het verhevene kom je dan regelmatig tegen, omdat het destijds een modieus intellectueel onderwerp was, maar dat geeft meteen ook aan wat mijn probleem ermee is. Heel vaak lijkt het meer een theoretische constructie dan een werkelijk geleefd begrip.

-

Herinneringen
En dit zou vast en zeker verder uitgezocht kunnen worden, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. Het lijkt mij dat de beide schooldocenten zoiets onthouden moeten hebben: dat de ene uitdrukking volgens Coleridge meer gepast was dan de ander. En dat zij vervolgens niet goed begrepen waarom dat nu zo was. Maar ik laat het hierbij. Meer dan even iets constateren wilde ik eigenlijk niet. Ook dit geval laat opnieuw zien welke fantastische mogelijkheden internet biedt.

Maar om op het idee te komen om iets op te zoeken, moet je natuurlijk ooit wel eens iets gelezen hebben waar je herinneringen aan hebt die je aanleiding geven tot verdere naspeuringen.

Naschrift (zaterdag 7 januari 2012, rond 11.35 uur)
Lezen is een kunst en dankzij de reactie van Sam Schulman hier beneden, waarvoor veel dank, besef ik dat ik één aanduiding verkeerd opvatte. Ik dacht dat met ‘his friend’ William Wordsworth werd bedoeld, maar ik zie nu dat dat niet kan kloppen en dat daarmee de vreemdeling werd aangeduid met wie Coleridge een praatje aanknoopte. Dorothy Wordsworth schrijft dat Coleridge na het gesprek weer bij hen kwam – ‘came to us’ – en aangezien het gezelschap uit slechts drie personen bestond, betekent dat dat William Wordsworth niet deelnam aan de conversatie, maar bij zijn zus bleef en dus ook niet de vriend kan zijn geweest aan wie ik de woorden toeschreef.

Het was dus inderdaad, zoals Sam Schulman schrijft, de gentleman die eerst de volgens Coleridge rake typering majestic gebruikte en de goede indruk die hij daarmee op de dichter maakte, vervolgens verknoeide door daar de niet bij elkaar passende woorden sublime and beautiful aan toe te voegen. Schulmans verwijzing naar het befaamde essay van Edmund Burke uit 1757 is zeer behulpzaam. En de tegenstelling tussen het verhevene of sublieme, dat een combinatie van afstoting en aantrekking, van vrees en bewondering aanduidt, en het schone of mooie, dat slechts het aangename aspect beschrijft, bepaalt dan wat de heren achteraf zo grappig vonden: dat de man dus argeloos begrippen combineerde, die volgens hun verfijnde opvattingen absoluut niet samengingen. Of zoals Sam Schulman hieronder opmerkt: ‘it sounded to their ears like someone saying, yes, the water in the waterfall is indeed extremely hot and icy cold…’

We kunnen ons dan nog wel afvragen hoe in Coleridges opvatting majestic zich dan verhield tot termen als grand, sublime en beautiful. Ik vermoed dat majestic met sublime wel het overweldigende deelt, maar minder het huiveringwekkende aspect benadrukt. In die zin zou het een uitvergroting van beautiful zijn in omstandigheden waar dat woord tekort schiet, maar zou de waterval weer te aangenaam aandoen en te weinig vrees inboezemen om die verheven of subliem te noemen. Waarschijnlijk zou dit wel degelijk uit te zoeken zijn, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. En ik zou er best weer naast kunnen zitten.

Maar het moet de tegenstelling tussen het sublieme en het schone zijn geweest die men heeft onthouden, en vervolgens aan twee verschillende toeristen heeft toegeschreven, waarbij beautiful in de herinnering dan het gemeenzamere pretty werd.

Nogmaals veel dank aan Sam Schulman. Als ik beter gelezen had, had ik direct gezien dat de vreemdeling hier als vriend werd aangeduid en had ik ook beseft dat (in de toenmalige opvatting) het verhevene nooit argeloos tegelijk mooi kon worden genoemd.

Naschrift (maandag 9 januari 2012, rond 11.35 uur)
Naar aanleiding van dit stukje en vooral de commentaren heeft Arend Smilde op zijn pagina over Quotations and Allusions in C. S. Lewis, The Abolition of Man de passage over Coleridge en de waterval aangepast en uitgebreid. Het citaat dat ik hierboven aanhaalde, is nu vervangen, maar ik laat het hier staan, omdat het op het moment dat ik dit stukje schreef, wel klopte.

(51)

5 januari 2012

Ik vind… Over hedendaags subjectivisme

 .:.

Er is een klein misverstand in omloop. Dit: dat waardeoordelen puur subjectief zouden zijn. Of anders gezegd: dat uitspraken over de kwaliteit van iets alleen maar het allerpersoonlijkste standpunt van de spreker zouden uitdrukken.

-

Jij-bak
Je zou het de filosofische jij-bak kunnen noemen en die is erg populair vandaag de dag. Als iemand zegt dat iets zus of zo is en daar zit moreel of esthetisch of anderszins een waardeoordeel in, dan wil de reactie nog wel eens zijn: ‘ja, dat vind jij!’ Als iemand argeloos opmerkt dat het optreden van een zekere cabaretier rond Oud en Nieuw weer helemaal niks was – laat ik even voor de helderheid toevoegen dat ik weer eens van niets wist en alleen bij het onverwacht zien van een zekere Youp verveeld weggezapt ben – kun je er donder op zeggen dat iemand anders antwoordt met: ‘ja, dat zeg jij!’

Rijksmuseum in de negentiende eeuw. Koning Willem III weigerde de opening van dit 'klooster' of 'bisschoppelijk paleis' bij te wonen (Collectie Nederlands Architectuurinstituut)

Die jij-bak is op zich wel grappig. Het is immers nogal helder dat de spreker, de als jij aangesprokene, het zegt en niemand anders. Dat wist die figuur zelf ook wel. Maar de bedoeling is natuurlijk: dat is een uitspraak die alleen voor jouw rekening komt en die niet door mij zal worden overgenomen. Het is een andere manier van spreken voor: jij vindt dat wel, maar ik denk daar heel anders over.

Soms kom je zelfs wel eens mensen tegen die in alle ernst betogen dat je dus nooit mag zeggen dat iets mooi of goed of wat dan ook is, maar dat je dat altijd moet zeggen in de vorm van ‘ik vind dat mooi’ of ‘ik vind dat goed’. Ik vrees dat ze er zich zelf niet aanhouden. Ik wed toch dat als iemand hun een fraai cadeau geeft, ze spontaan uitroepen: ‘O, wat fantastisch, wat een prachtig geschenk!’ Of dat als ze net een indrukwekkende opvoering hebben meegemaakt, na afloop tegen hun metgezellen zeggen: ‘Wat was dat aangrijpend!’ en niet omslachtig gaan formuleren: ‘Ik persoonlijk vond dit een aangrijpende voorstelling.’

-

Geldigheid
Dat is namelijk het hele punt. Iemand die een waardeoordeel uit en zegt dat iets goed, mooi, waar, nuttig, prachtig, fantastisch, heerlijk, fijn, leerzaam, informatief, beschamend, tweeslachtig, sprankelend, opzienbarend, ongemakkelijk, faciel, bot of eminent was, en je kunt zo nog met honderden of duizenden adjectieven verder gaan, die beoogt niet alleen maar iets over zijn allerintiemste gemoedsbewegingen te zeggen, maar die spreekt wel degelijk een oordeel uit dat een zekere aanspraak op geldigheid of juistheid maakt.

De mate van die aanspraak kan variëren. Als ik in een verhaal over mijn fietstocht van De Ysbreeker naar De Balie veronderstel dat het Amstelhotel bij de Hogesluis staat, kijk ik gek op als iemand mijn vertelling onderbreekt en vertelt dat dat niet helemaal waar is. Als ik opmerk dat Youp van ’t Hek nu al jaren dezelfde boodschap brengt, verwacht ik ook niet veel tegenspraak, maar het is goed denkbaar dat iemand anders overtuigend kan betogen dat hij zich in dat en dat opzicht werkelijk vernieuwd heeft. Als ik zeg dat Barack Obama teleurstelt als president, weet ik dat ik allerlei reacties kan verwachten, van mensen die me bijvallen, tot mensen die opmerken dat dat veel te zwak is uitgedrukt, tot lieden die met kracht van argumenten komen bewijzen dat hij toch werkelijk wel het een en ander voor elkaar gekregen heeft. Maar ook dan zal ik de antwoorden wegen en kijken of ik mijn stelling in redelijkheid kan handhaven of toch moet bijstellen.

-

Voorkeuren en waardeoordelen
We moeten twee dingen onderscheiden: het verschil in voorkeuren en de geldigheid van waardeoordelen. De eersten zijn veel persoonlijker en subjectiever dan de tweede, al is er uiteraard vaak een zekere samenhang.

Iemand kan niet zo van Bach of Mahler houden en liever naar rockmuziek luisteren. Het is alleszins redelijk als iemand zegt dat hij liever naar de Stones of de Beatles dan naar een uitvoering onder leiding van Ton Koopman luistert. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de Stones nu echt beter zijn dan Bach. Het is ook de vraag of je beiden moet of kunt vergelijken. Maar het is heel iets anders om niet van Bach te houden dan om te beweren dat de Hohe Messe een werkje van niks is of dat Mahlers Eerste Symfonie wel een paar aardige deuntjes bevat. Dan kun je wel zeggen dat je het liever niet aanhoort, maar niet in ernst dat het werk niet om aan te horen is (tenzij je het over een hele slechte uitvoering hebt).

Esthethische oordelen zijn niet willekeurig en dat geldt eigenlijk voor alle waardeoordelen, waarbij de inhoud van het oordeel de mogelijkheid in variatie bepaalt. Het ene boek is rijker van inhoud dan het andere en dan kunnen verschillende oordelen nog wel uit elkaar lopen, het is nu ook weer niet toevallig dat bepaalde auteurs klassiek worden, al is het best mogelijk dat anderen ten onrechte vergeten of overgeslagen worden. Je kunt niet zo van de stijl van Pierre Cuypers houden, maar je kunt ook weer niet beweren dat het Rijksmuseum, de Vondelkerk of het Centraal Station onopvallende gebouwen zijn. Maar niemand zal beweren dat een willekeurige aflevering van GTST hoogstaander is dan een opvoering van de Gijsbrecht, al kun je er misschien weer andere oordelen over vellen die positief voor de soapserie zijn. Ik kan me voorstellen dat iemand betoogt dat sommige scholieren van bepaalde comedy’s meer opsteken dan van kwalitatief hoogstaande toneelregistraties waar ze tegen heug en meug naar kijken.

-

Breed
Maar al die waardeoordelen zijn betrokken op het object waar ze over gaan. In die zin zijn ze niet willekeurig. En ze beogen daar iets over te zeggen. Wie opmerkt dat een schilderij prachtig is, hoopt dat anderen daar ook mee instemmen en zal het onaangenaam vinden als een metgezel vervolgens antwoordt dat het een knullig ding is, maar er waarschijnlijk weer niet gek van opkijken als die opmerkt dat hij het portret ernaast toch nog net iets aansprekender vindt. Waardeoordelen beogen niet absoluut te zijn, maar maken wel degelijk aanspraak op een zekere geldigheid. Wie beweert dat Gestel het mooiste dorp van Noord-Brabant is en dan op Sint-Michielsgestel doelt, heeft evident ongelijk, want welke maatstaf je ook aanlegt, er zijn zeker mooiere dorpen, maar wie beweert dat het het gezelligste dorp is of het fijnste dorp om te wonen, gezien alle omstandigheden, doet een bewering die veel persoonlijker is en zich daarom minder voor weerlegging leent, tenzij je dus gezamenlijk alle ondersteunende feiten gaat uitpluizen en analyseren.

In dit stukje heb ik het begrip waardeoordeel nogal breed opgevat. Wie erover schrijft, begint meestal bij ethische en esthetische oordelen en in de literatuur, pak het oeuvre van Roger Scruton er maar bij, worden vaak ook de parallellen uitgewerkt. Iedereen zal immers beseffen dat morele oordelen lang niet altijd willekeurig zijn en zo zijn ook esthetische dat zeker niet altijd. Maar ik heb nu veel meer genoemd, niet alleen nut, maar ook waarheid. Dat laatste wordt vaak als afzonderlijk epistemisch oordeel gezien. Bij waarheid zou het immers om standen van zaken gaan en feiten zou je van waardeoordelen kunnen onderscheiden. Het is een journalistiek basisprincipe.

Dat klopt denk ik ook wel, maar waarheid, dat uitlatingen kloppen, wordt verondersteld. Het is een gegeven. Op een moment dat iemand de vraag naar waarheid opwerpt door op te merken dat iets niet waar is, gaat het wel om een oordeel of een waardering, waar je soms op een vergelijkbare wijze als over morele of esthetische waardering redelijk over kunt debatteren. (In de formele logica wordt zelfs over (twee) waarheidswaarden gesproken, al is dat een nogal wereldvreemd systeem, dat men slechts spaarzaam op het alledaagse spreken kan toepassen.)

-

Object
Elk object vraagt om bepaalde oordelen. Bij esthetische oordelen bijvoorbeeld is een enorme variatie mogelijk maar dat wil nog niet zeggen dat alles redelijk mogelijk is. Het oordeel moet wel in verhouding tot het object staan. Hoge bergen, watervallen, weidse ruimtes, onmetelijke oceanen vereisen een zeker ontzag, wat in de achttiende eeuw wel gethematiseerd werd in het thema van het sublieme. Doordachte romans of technisch knappe schilderijen kun je niet afdoen als dingen van niks, al kun je er nog altijd heel veel verschillende oordelen over vellen en kun je tegelijk bijvoorbeeld best zeggen dat ze jou niet zo veel zeggen, omdat je het dan in feite niet over een waardeoordeel maar over een persoonlijke voorkeur hebt. En gaat het verder.

Het is niet zo dat elk waardeoordeel als jij-bak afgedaan kan worden. Waardeoordelen zijn uitnodigingen tot nadere discussie en bezinning. Ze vragen om instemming of om tegenspraak.

(50)

4 januari 2012

Van niets iets maken. Over een frivoliteit van Alvin Plantinga

.:.

Laat ik u direct maar even waarschuwen: in dit stukje gaat het flink regenen en sneeuwen, want ik ga het over proposities hebben en als logici proberen uit te leggen wat dat zijn – ik ga daar zo op in – dan weten ze meestal weinig anders dan sneeuw en regen te verzinnen. Het is dus niet het sombere januariweer, maar de logica die tot een overmaat aan neerslag leidt.

-

Alvin Plantinga
Ik wilde het maar eens hebben over Alvin Plantinga (1932), een bekend Amerikaans filosoof, jarenlang de John A. ‘O Brien Professor of Philosophy aan de University of Notre Dame, die de laatste tijd steeds weer overal opduikt, althans op sommige pagina’s die ik op internet pleeg te bezoeken, en wiens opvattingen met name via de facebookgroep Geloof en wetenschap, waar iemand mij om raadselachtige maar wat mij betreft niet onwelkome redenen aan toegevoegd heeft, nogal eens besproken worden. Ik heb dat lang niet allemaal gevolgd. Maar onlangs las ik een uitgebreid en op zich heel aardig interview met hem in of op Philosophy News, naar aanleiding de publicatie van zijn recente boek Where the Conflict Really Lies. Science, Religion, and Naturalism (New York, Oxford University Press, 2011). Jan Riemersma schreef er een mooie beschouwing over en ik geloof dat lezing daarvan genoeg is om te besluiten het boek niet te gaan lezen.

Sneeuw op bergtoppen in Californië (foto: Mindful One - Kathryn Harper)

Ik moet trouwens bekennen, maar dat is een bekentenis die me niet zwaar valt, dat ik maar heel weinig van Plantinga gelezen heb. Wat Jan Riemersma fraai typeert als een boekendrietal dat ‘in de smalle gangen van de academie bekend staat als de ‘warrant’-triologie’ – Warrant and Proper Function (1993), Warrant: The Current Debate (1993), Warranted Christian Belief (2000), allemaal ook uitgegeven door Oxford University Press in New York – heb ik ook al niet gelezen en ook dat was ik voorlopig niet van plan. Ooit heb wel een boek over zijn wijsbegeerte en die van Nicholas Wolterstorff, die ik wel graag lees – hij wil het nog wel eens over zoiets als Justice: Rights and Wrongs hebben - en George Mavrodes, beroemd van de vraag of God een steen kan scheppen die hij niet kan optillen, onder redactie van Linda Zagbzebski, een filosofe die door Jan-Jaap van Peperstraten in zijn dissertatie Literary Intelligence naar verluidt uitvoerig en met waardering wordt aangehaald, Rational Faith. Catholic Responses to Reformed Epistemology (Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1993) opgepikt en dat lijkt me vooralsnog wel voldoende. Ik heb namelijk wel één boek van Alvin Plantinga, Essays in the Methaphysics of Modality, verzameld door Matthew Davidson (New York, Oxford University Press, 2003), en daar heb ik me al voldoende aan geërgerd.

Nu wil ik me beperken tot enkele zinsneden uit het laatste, gelukkig erg korte stuk daarin, dat ‘Why Propositions Cannot Be Concrete’ heet en dat, ik ontdekte dat nu pas, afkomstig is uit het eerste Warrant-boek uit 1993. De tekst is op diverse plaatsen op internet beschikbaar, zodat u me kunt controleren. Allereerst is er de oorspronkelijke tekst in de vorm van de Gifford Lectures van 1987-88. Het gaat dan om de laatste twee paragrafen, ‘V. Why Propositions Cannot Be Concrete’ en ‘VI Back to the Causal Requirement’, van de zesde lezing over ‘A Priori Knowledge‘. Het boek uit 1993 is deels raadpleegbaar via Google Books en de essaybundel waar ik het over had, is op Scribd.com beschikbaar in twee uitgaven van 2003, eentje die ik hier fysiek bij de hand heb, en eentje met een andere, fraaiere omslag. Ik geloof dat er tussen al de teksten niet veel verschil is. In de versie van 2003 ontdekte ik alleen nog een voetnoot, de eerste, die in de Gifford Lectures nog ontbrak.

-

Proposities
Ik beperk me als aangekondigd nu tot het uit het boekbetoog gelichte afzonderlijke essay. Dat begint met een stelling over proposities:

‘I should next like to offer an argument for the conclusion that propositions (the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations) cannot be concrete objects of any sort—at any rate, they can’t be concrete objects that do not exist necessarily.

En het verhaal loopt uit op deze slotwoorden:

‘And in my event, the view in question—that propositions, sets, properties, and their like are outside space and time and cannot stand in causal relations—is only one view among others. Theists, for example, may find attractive a view popular among medieval philosophers from Augustine on: the view that abstract objects are really divine thoughts. More exactly, propositions are divine thoughts, properties divine concepts, and sets divine collections. But then these objects can enter into the sort of causal relation that holds between a thought and a thinker, and we can enter into causal relation with them by virtue of our causal relation to God. It is therefore quite possible to think of abstract objects as capable of standing in causal relations, and in causal relations with us; hence the causal objection to a priori knowledge can be easily sidestepped.’

Als ik het goed begrijp, neemt Plantinga de aan Augustinus toegeschreven opvatting dat proposities goddelijke gedachten zijn, dat eigenschappen goddelijke begrippen zijn en dat wiskundige verzamelingen goddelijke verzamelingen zijn, daar over.

Aan de bespreking van Jan Riemersma ontleen ik dit citaat uit het nieuwste boek:

‘The sense in which the laws of nature are necessary, therefore, is that they are propositions that God has established or decreed, and no creature (…) has the power to act against these propositions, that is, to bring about that they are false.’

Dat lijkt me in dezelfde lijn te liggen. Maar laat ik het eenvoudig houden: wat verstaat Plantinga nu eigenlijk onder proposities? Hij omschrijft ze als ‘the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations’. Maar is dat een bevredigende omschrijving? En wat doet hij er vervolgens mee?

-

Woordenboeken
Ik sla er maar eens een paar hedendaagse filosofische woordenboeken op na. The Penguin Dictionary of Philosophy (1996, in Penguin vanaf 1997, mijn herziene editie is van 2000) van Thomas Mautner zegt dit:

‘Different sentences are said to express the same proposition: for instance, the French “il pleut” and the German “as regnet” express the same proposition as the English “it is raining”. Propositions are commonly said to be bearers of truth and falsity. Sentences used to express commands, questions, etc. do not express propositions. When we say that a person knows that p, denies that p, etc. the letter p stands for a proposition.’

Dat is het bekende werk en ik had u al voorspeld dat het zou gaan regenen. Volgens mij staat hier niet veel meer dan dat proposities de inhoud, misschien de zakelijke inhoud, van beweringen vormen en dat die waar of onwaar kunnen zijn. Het is de gangbare omschrijving.

The Oxford Companion to Philosophy (Second Edition, 2005) onder redactie van Ted Honderich begint zo:

‘The precise formulation varies, but a proposition, or propositional content, is customarily defined in modern logic as ‘what is asserted’ when a sentence (an indicative, or declarative, sentence) is used to say something true of false, or as ‘what is expressed by’ such a sentence.’

Het stuk gaat nog verder, maar de kern lijkt me hetzelfde: het gaat om de inhoud van zinnen, afgezien van de exacte, variërende formulering.

The Shorter Routledge Encyclopedia of Philosophy (2005 en ondanks de titel toch altijd nog 1077 bladzijden) onder redactie van Edward Craig kent alleen een lemma over ‘propositional attitudes’ en zet zo in:

‘Examples of propositional attitudes include the belief that snow is white, the hope that Mt Rosea is twelve miles high, the desire that there should be snow at Christmas, the intention to go to the snow tomorrow, and the fear that one shall be killed in an avalanche.’

Ook dat voorspelde ik al: hele bergen sneeuw. Logica is bij uitstek geschikt voor de wintersportvakantie. En vervolgens wordt nog uitgelegd dat men houdingen – overtuiging, verlangen, intentie, vrees en zo meer – kan onderscheiden van de inhoud ervan – dat sneeuw wit is en zo verder, ik ga dat niet herhalen. De term propositional attitude, wordt nog toegevoegd, is van Betrand Russell en ook dat is bekend. Opnieuw gaat het om de inhoud.

The Stanford Encyclopaedia of Philosophy tenslotte zegt bondig en helder:

‘Propositions, we shall say, are the sharable objects of the attitudes and the primary bearers of truth and falsity.’

-

Alledaagse waarheid
Kortom, hetzelfde verhaal. Een enkele opmerking nog. Proposities staan dus voor de harde inhoud van beweringen, die qua formulering iets kunnen verschillen, en ze kunnen waar of onwaar zijn. Zoals ik eerder in mijn stukje over Historische waarheid en tijdelijkheid (zie met name het stuk onder het kopje ‘Waarheid’) al opmerkte, wijkt de concentratie op proposities als dingen die waar of onwaar kunnen zijn, enigszins af van onze alledaagse omgang met waarheid en vooral het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord waar als een van de vele adjectieven die we als typering kunnen gebruiken.

In het dagelijks leven gaat het bij waarheid primair om de overeenkomst of verbinding tussen taal en werkelijkheid (van welke aard die ook is). Het gaat dan niet alleen om de vraag of de inhoud van beweringen waar is, maar ook om de vraag of iets het geval is of was. Die twee staan dan niet los van elkaar. Als je wilt weten of iemand werkelijk ergens was, gaat het niet alleen om de vraag of de opmerking daarover waar was, maar of die persoon daar ook echt aanwezig was. Dat is wat je wilt weten: het gaat niet om de taal, maar wat er met behulp van zinnen en woorden of soms gebaren (een knikje) gezegd wordt over de wereld. Dat verstaan we in het dagelijks leven onder waarheid. De eenzijdige concentratie op de bewering en derzelver inhoud is dan meer een grensgeval of een variant. En er zijn in het dagelijks leven geen twee waarheidwaarden, maar vele op een gevarieerde schaal. Iets kan een halve waarheid zijn of net niet waar zijn of grotendeels waar en nog veel meer.

Deze logische opvatting is een puur theoretische exercitie. Voor hetzelfde geld zou je een tabel kunnen maken van zogenaamde klappels die flip of flop kunnen zijn. Heeft evenveel met onze dagelijkse omgang te maken: niets namelijk. Het gaat om een puur formeel systeem en dat benadrukte Alfred Tarski (1901-1983), de belangrijkste bedenker, ook zelf. Het is nogal verwarrend en misleidend dat dit filosofisch-logische systeem tegenwoordig zomaar onkritisch op ons gewone doen en laten en vooral ons dagelijkse en ook wel eens wat minder alledaagse spreken wordt toegepast. Alleen in bepaalde gevallen kan het enig nut hebben, verder niet.

-

Geen mensen
Maar nu Plantinga’s vervolg. Hij gaat een zelfverzonnen concretist, nog een vrouw ook, een uiting van Amerikaanse ‘correctheid’, waarbij mannen en vrouwen in teksten zorgvuldig afgewisseld worden, maar in dit geval een beetje onsympathiek, weerleggen omdat ze volgens hem ongelijk heeft. Die mevrouw denkt dit:

‘For definiteness, suppose propositions are human mental acts or perhaps brain inscriptions. ‘’

Dit is ineens een heel andere definitie. De beginomschrijving sloot nog wel bij de gangbare omschrijvingen aan, maar hier zijn proposities ineens ‘human mental acts or perhaps brain inscriptions’. Dat is flauw, natuurlijk zijn er mensen die denken wat ze zeggen en dat zal ook wel in hun hersenen opgeslagen liggen of eruit voortkomen, maar waar we het over kunnen hebben, is wat ze zeggen: de inhoud van hun beweringen of houdingen, die we eerst maar eens moeten vernemen voor we er iets over kunnen zeggen. Bij propositional attitudes, we zagen het net nog, is het juist de gewoonte om een onderscheid te maken tussen de houdingen – en dus wat mij betreft ook tussen de human mental acts en wat er zich in hun hersenpan afspeelt – en hun mededeelbare inhoud. Plantinga laat zijn zelfverzonnen tegenstandster alles direct door elkaar halen. En hij gaat verder:

‘It follows that if there had been no human beings, then there would have been no propositions. But doesn’t that seem wrong? If there had been no human beings, one thinks, then it would have been true that there are no human beings—that is, that there are no human beings would have been true—in which case there would have been at least one truth (and thus one proposition): that there are no human beings.’

Het spijt me, maar ik kan hier niet anders dan sofisterij in zien. Als er geen mensen geweest waren, was dus de bewering dat er geen mensen zijn, nog wel waar geweest en dan zou er dus op zijn minst één waarheid, een ware propositie dus, bestaan hebben. Het is flauwekul. Over wat er niet is, kun je niets zeggen, omdat het er niet is. Je kunt dan ook wel zeggen dat er dan geen auto’s of huizen geweest waren geweest en nog veel meer: nog veel meer ware proposities in een mensenloze wereld dus. Maar proposities bestaan niet los van mensen en menselijke uitingen (die ook op kleitabletten of USB-sticks vastgelegd kunnen zijn, die dan wel ooit weer door mensen ontcijferd moeten worden). Het eenvoudige punt is dat we over die situatie helemaal niets kunnen zeggen. Wat er niet is, kennen we niet. En als we wel zeggen dat iets niet bestaat, dan hebben we al een voorstelling geschapen, die als zodanig, als voorstelling bestaat. Maar over datgene waar we ons geen voorstelling van kunnen maken, kunnen we niets zeggen.

-

Van niets iets maken
Als er geen mensen geweest waren, waren er geen zinnen en waren er geen beweringen, die een inhoud hebben. Het is gewoon onzin om te zeggen dat dan de inhoud van de bewering dat er geen mensen zijn, nog waar is, want er is niemand om die bewering in te brengen. Beweringen en proposities zijn ‘dingen’ – dat nogal massieve woord, dat op zich best bruikbaar is als losse aanduiding, kan ons al misleiden, als we het te serieus als werkelijk op zichzelf staande dingen gaan opvatten -, die door mensen in hun omgang met de wereld geschapen worden en alleen daar kunnen we nu als mensen iets over zeggen.

Het niets is ondenkbaar. We kunnen ons wel een wereld voorstellen waarin er geen mensen meer zijn. Denk aan een boek als The Fate of the Earth (1982) van Jonathan Schell. Maar daar kunnen we ons nu iets over voorstellen. Als het eenmaal zover zou komen, is er niemand meer die nog iets zou kunnen opmerken. En het is volkomen nonsens om dan toch nog over proposities die waar of onwaar zouden kunnen zijn, te gaan fantaseren. Zonder mensen en taal is het onzin. Proposities worden nu telkens geschapen en ze zijn in het verleden gecreëerd en soms aan ons overgeleverd op schrift of in de herinnering en alleen over wat zich concreet aandient, kunnen we discussiëren.

En natuurlijk kunnen we wel iets zeggen over dingen uit het verleden die er ooit waren, maar die er nu niet meer zijn. Dinosaurussen bijvoorbeeld bestaan nu niet, maar bestonden ooit en dat weten we omdat ze sporen hebben nagelaten en we kunnen ze reconstrueren. En van de dodo kennen we afbeeldingen. Dat zijn dieren die niet bestaan, niet meer bestaan, maar ooit bestonden. En omdat we daar weet van hebben, kunnen we over die ooit bestaande, maar niet nu meer bestaande wezens iets zeggen.

Maar als er geen mensen meer zijn, kunnen mensen daar ook niets meer over zeggen en is de bewering dat de propositie er dan geen mensen meer zijn, dan waar zou zijn, dan zinloos. Niemand zal het erover hebben. Alleen nu kunnen we er met het oog over de toekomst over praten. Wat Plantinga doet, is van niets via een trucje toch weer iets maken. Ik kan ook wel zeggen dat er geen kalumanikels bestaan, maar zolang ik niet weet wat dat zijn, zegt dat niets. En zodra ik ze omschrijf, praten we over een verzinsel dat ik nu bedenk. Maar over het niets, het echte niets zal ik maar eens enigszins paradoxaal zeggen, kunnen we helemaal niets zeggen. Dat ligt buiten onze voorstellingswereld, zoals we ook niet buiten de grenzen van de tijd – wat was er, oude kantiaanse vraag, vóór de tijd en de Big Bang of de schepping? – kunnen treden. Het is filosofische hubris toch te doen alsof dat wel kan. Plantinga verliest zich in onzinnigheden.

-

Verzinsels
Binnen zijn onzinnige, grensoverschrijdende kader laat Plantinga de concretist nog een tijdje verder redeneren en zich verstrikken in tegenspraken. En zijn redenering loopt hier opuit:

‘The conclusion, I think, is that propositions can’t be concrete, contingently existing objects such as human mental acts, or brain inscriptions or other arrays of neural material, or sentence tokens, or anything else of that sort.’

Tja, als je eenmaal een valse start maakt, is de rest ook onzin. Het is geredeneer in het luchtledige, waar je je hersens wel op kunt pijnigen, maar dat nergens toe leidt. Al het volgende geredeneer over contingentie en noodzakelijkheid slaat gezien het absurde uitgangspunt nergens op. Wat ook onsympathiek is, Plantinga gaat niet in op voorliggende, controleerbare beweringen van andere filosofen, maar verzint zelf een tegenstandster die hij vervolgens vloert. Zo kan ik het ook. Maar met werkelijk debat of de uitwisseling van argumenten heeft het opzetten van absurde stropopredeneringen niets te maken. Maar je ziet dat vaker bij zogenaamde analytische filosofen: ze boksen in de lucht. Dan kun je nog beter luchtgitaar gaan spelen.

Plantinga maakt in zijn eigen alternatieve gedachtengang waar het essay op uitloopt, proposities helemaal los van de concrete, tijdelijke, eindige menselijke ervaring, dat is de makke. Ik denk niet dat we zo’n filosoof, hoe spitsvondig en humoristisch misschien ook, verder nog serieus hoeven te nemen. Natuurlijk kan het wel zinvol zijn om over God of eeuwigheid, begrippen die boven of buiten onze menselijke ervaring staan, verder te denken. Maar dan niet op zijn manier die de alledaagse redelijkheid tart. Ik kan in die hele redenering die van niets toch weer iets maakt, namelijk één ware propositie, zonder dat er mensen zijn die die ter discussie stellen, niets anders dan een frivoliteit zien.

-

Bergen
In het interview dat ik al noemde, vertelt de op dat moment nog 78-jarige Plantinga overigens, het is algemeen bekend, dat hij erg van bergbeklimmen houdt. Hij ging de afgelopen zomer in Californië klimmen met zijn vrienden Ric Otte - ken ik niet, maar ik weet veel niet - en Bas van Fraassen. Tijdens het interview was dat nog toekomst, maar ik neem maar aan dat de plannen gerealiseerd zijn.

De laatstgenoemde, Bas van Frassen, is toevallig in een bepaalde kringen wereldberoemde filosoof, die ik ooit op een feestje ontmoette. We waren al een kwartier of misschien wel een half uur aan de praat, over van alles en nog wat en met name over de merkwaardige Nederlandse uitvinding van de ‘allochtoon’, herinner ik me, toen we besloten ons maar eens voor te stellen. Ik was aangenaam verrast, al moet ik bekennen dat het heel lang geleden is dat ik me een ietsiepietsie in zijn werk verdiept heb. Ook daar weet ik dus niets (meer) van. Maar het was een leuke vent, zoals Alvin Plantinga dat kennelijk ook is. Juist daarom verbijstert zijn frivole wijze van filosoferen me zo.

Ik hoop dat de heren in de ijle hoogten van bergen vooral genoten en genieten van het fraais dat onze wereld, die we ook wel schepping noemen – we hebben de wereld immers niet zelf bedacht, maar treffen die aan, zoals we onszelf in die wereld aantreffen – te bieden heeft.

Ik denk dat je vanuit die concrete ervaringen een stuk verder komt dan met wat logische spitsvondigheden, die in strijd met wat we in het leven van alledag onder logica verstaan, verre van redelijk zijn.

(49)

3 januari 2012

Tweede van der Helst

.:.

Tweede straten
Toen ik eergisteren na een even verfrissende als mijmerende zondagse nieuwjaarswandeling in het nabije Oosterpark – het Amsterdamse, vertel ik er maar even bij, want de naam roept ook onmiddellijk reminiscenties op aan de aanmerkelijk zuidelijker aandoende stad Groningen – naar aanleiding van een op de korte terugweg van daaruit opgedane en in meerdere opzichten herhaalde observatie mijn stukje over het ietwat detonerende witte, maar juist ook niet meer in alle opzichten volledig eenduidig gekleurde deurtje in de nok van een voormalig, honderdtien jaar geleden opgetrokken schoolgebouw voor lager onderwijs aan het nabije Amsterdamse’s-Gravesandeplein en de daaraan afleesbare eerste tekenen van verval en vergankelijkheid schreef, dat ik hier gistermiddag openbaar maakte en waarin ik naar aanleiding van de door het naar de arts en filantroop Samuel Sarphati (1813-1866) genoemde park in de naburige wijk De Pijp en de daarnaar vernoemde aanpalende straten van elkaar gescheiden Eerste en Tweede Jan Steenstraat, waar ik trouwens regelmatig door fiets zonder gemeenlijk op de straatnaamaanduidingen te letten, bijna terloops, althans tussen haakjes, aan wijlen Jan Blokker (1927-2010) de vraag toeschreef wie toch wel die Tweede van der Helst was, had ik echt wel even gezocht of ik die toeschrijving op die naam op internet kon vinden.

Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg (1622-1666), door Bartholomeus van der Helst (1613-1670) (foto: Rijksmuseum)

Maar dat lukte niet. (Waarbij, maar dat tussen haakjes, zoals u ziet, het ook altijd aardig is om een zin van exact tweehonderd woorden, die zonder veel moeite langer gemaakt had kunnen worden, af te wisselen door eentje van welgeteld vier woorden, maar dit terzijde.) Ik dacht: dan maar uit het hoofd. Lang niet al alles wat de befaamde columnist ooit schreef, staat op het wereldomspannende web. En het ging me in mijn aanvullende tussen haakjes opgetekende aanhaling van een vraag meer om de anekdote an sich dan om het al dan niet ondersteunende feit als zodanig en door mijn werkwoordskeuze (‘schijnt’) had ik me niet zonder opzet alvast ingedekt.

Ik moest trouwens eerst ook al nadenken over welke straat het nu alweer ging. Om de een of andere reden had ik aanvankelijk de Tweede Jan van der Heijdenstraat in mijn hoofd, maar dat kon niet kloppen, want er mocht geen voornaam in de naam van de straat voorkomen, zodat dat Tweede als zodanig opgevat kon worden. En zo kwam ik na enige peinzen alsnog uit op de Tweede van der Helststraat. Ook de twee naar Bartholomeus van der Helst genoemde straten, die in elkaars verlengde liggen, maar dan in noord-zuidrichting, worden overigens van elkaar gescheiden door de straatnaam Sarphatipark, die in dat geval de huizen aan de westzijde aanduidt.

-

Gerard Revestraat
Ik had het fout. Op Twitter meldde F. Zwaan dat hij zich het citaat herinnerde als zijnde afkomstig van Reve en dat Google hem gelijk leek te geven. Reve, dat besef je meteen, is in dit geval Gerard Kornelis (1923-2006), de Tweede van het Reve dus, en niet de Eerste van het Reve, de oudere geleerde broer Karel (1921-1999), die bovendien over een wat subtielere humor beschikte. Zwaan drukte zich erg bescheiden uit, want hij leverde de goede zin erbij. Hij wist het dus in feite wel zeker. Vreemd kwam de toeschrijving mij nu ook niet voor, want de passage is op zich vrij bekend en ik moet die zonder meer eerder en waarschijnlijk meer dan eens onder ogen gehad hebben. Ze komt uit een interview door Tom Rooduijn uit 1982, dat een jaar later gebundeld werd in het boek In gesprek. Interviews (Baarn 1983). Het ging over het voortleven van het literaire werk en Reve zei er dit over:

‘Wat blijft er uiteindelijk van over? Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht. Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten. Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’

Reve is nu bijna bijna zes jaar dood. Of zijn werk op de scholen momenteel nog driftig gelezen wordt, zou ik niet weten. Maar die straat, die is er, eerder dan hij zelf destijds verwachtte, al wel. In Haarlem nog wel.

Dat is opvallend, want aan befaamde Haarlemmers als Lodewijk van Deyssel (1864-1952), die wel een straat in Amsterdam en een laan in Driehuis kreeg, Godfried Bomans (1913-1971), naar wie in Almere, Culemborg, Heerhugowaard, Landgraaf en Nijverdal straten en in Heemstede, Kloetinge en Vogelenzang lanen werden vernoemd, en Louis Ferron (1942-2005), die het nog helemaal zonder moet doen, lijkt de Haarlemse straatnamencommissie nog geen resultatieve aandacht te hebben besteed. Harry Mulisch (1927-2010) kreeg trouwens wel weer een eigen straat, in Haarlem-Noord.

-

Harry en Bartholomeus
En over hem moet ik het nog even hebben. Want als op zijn minst één werk van Tweede van der Helst op ieders netvlies gebrand staat, dan is het wel door zijn toedoen. De goede man heette overigens Bartholomeus, een mooie naam, en het is op zich jammer dat die in 1872, toen het eerste stukje straat in de nieuwe buurt YY naar hem werd vernoemd, niet werd meegenomen, al was dit weblogstukje er dan nooit gekomen. Bartholomeus van der Helst leefde van 1613 tot 1670. Hij werd dus zes jaar na Rembrandt geboren en stierf, jonger dus, op 57-jarige leeftijd een jaar na hem. En net als Rembrandt, die ook trouwens ook wel eens wat anders deed, schilderde hij schutters- en regentenstukken.

Het was Harry Mulisch die Van der Helsts portret van Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg, uit ongeveer 1640 tot 1642 liet opnemen op de omslag van zijn Bericht aan de rattenkoning, dat hij in augustus 1966 tijdens een naar eigen zeggen ‘drie weken durende woede- en lachaanval’ schreef over de recente provocaties en omwentelingen in zijn woonplaats Amsterdam. Zo kent dus menigeen zonder dat altijd te beseffen op zijn minst één werk van Tweede van der Helst, dat menig bezoeker van het Rijksmuseum dan ook bekend zal zijn voorgekomen. Maar tevens zal menigeen dan vaag beseft hebben dat er iets niet klopte: de afbeelding op de boekomslag is in spiegelbeeld. Op het schilderij kijkt de jonge, hooguit twintigjarige toekomstige drost van Muiden, die de befaamde Pieter Cornelisz Hooft (1581-1647) in 1649 in die functie opvolgde, naar links, op het boek richt hij de blik naar rechts. Hij werd trouwens niet oud: op zijn 44ste stierf hij in 1666.

Ook wat Bartholomeus van der Helst betreft laat Haarlem het afweten. Judith van Gent, die op 11 februari 2011 op de schilder promoveerde, merkt op dat er in Amsterdam behalve de twee straten ook nog een naar de man vernoemd plein is, dat overigens de Tweede van der Helst met een verbreding onderbreekt, en dat er in Nederland drie steden zijn die een Bartholomeus van der Helststraat kennen, en er verder nog eens tien Van der Helststraten bestaan, maar dat ‘s mans geboorteplaats, en ja daar heb je het alweer, Haarlem dus, geen enkele naar de beroemde zoon vernoemde ‘straat, laan, plein of steeg’ telt.

-

Jan Frederik en Willem Frederik
En over genummerde straten gesproken: Willem Frederik Hermans (1921-1995) groeide op in een straat die naar Jan Frederik Helmers (1767-1813) was genoemd. Die schrijver was zo groot dat hij wel drie evenwijdige straten toegewezen kreeg. Een plaquette markeert de woning waar Hermans zijn eerste verhalen schreef. Het is op nummer 208 in de Eerste Helmersstraat.

Niet de derde of de tweede, de eerste.

Naschrift. Rond 12 .50 uur is de alinea over het ontbreken van een naar Bartholomeus van der Helst genoemde straat in Haarlem toegevoegd. Met opnieuw dank aan Jaap de Vries.

(48)

2 januari 2012

Het deurtje

.:.

Aan het uiteinde van de Ruyschstraat, die van de Amstel naar het Oosterpark loopt, ligt het ’s-Gravesandeplein. Als je vanuit de aangeduide richting komend linksaf zou slaan, ben je zo in de ’s-Gravesandestraat, die vervolgens via een wel heel klein stukje voorbij de Singelgracht dat in 1939 Korte ‘s-Gravesandestraat werd gedoopt, weer uitkomt op de Sarphatistraat, die Frederik van Eeden naar verluidt ‘de mooiste plek van Europa vond’, waarmee hij volgens Nescio een nog ‘wonderlijker kerel’ was ‘dan den uitvreter’, ene Japi, wiens achternaam verder niet bekend is. Laten we daarbij overigens niet vergeten dat, toen het Paleis voor Volksvlijt nog aan het begin van die straat prijkte (het brandde in 1929 af), het uitzicht bepaald niet lelijk was.

-

Gebouw van de voormalige Oosterparkschool, ‘s-Gravesandeplein 19 te Amsterdam (foto: Metro Centric)

Parken
Maar terug naar de ’s-Gravesandestraat. Je zou verwachten dat de straat en het plein die naar dezelfde natuurkundige, Willem Jacob ‘s Gravesande (1688-1742), zijn vernoemd, direct op elkaar aansluiten. Maar dat is niet het geval. Eerst krijg je namelijk nog een klein stukje straat dat officieel Oosterpark heet en waaraan de woningen dan ook nog rechtstreeks op het park uitkijken. Een eeuw geleden woonden deftige mensen – kijk de adreslijsten in bijvoorbeeld het Jaarboek (pdf) van het voorname Genootschap Amstelodamum van honderd jaar terug er maar op na – in buurten als deze wel aan de parken, maar niet in de meer eenvoudige straten.

Je ziet hetzelfde bij het Sarphatipark in de Pijp: de Ceintuurbaan wordt onderbroken door de straatnaam die identiek is aan die van het park, en aan de overkant wordt een naar Jan Steen genoemde straat verdeeld in een Eerste en een Tweede Jan Steenstraat, terwijl het dus over een en dezelfde schilder en niet over bijvoorbeeld een vader en een zoon gaat. (‘Wie was Tweede van der Helst?’, schijnt Jan Blokker ooit gevraagd te hebben. [Toevoeging 16.30 uur: Fout! Morgen een stukje over wie het wel was.])

-

Oosterparkschool
Maar het ‘s-Gravesandeplein dus. Aan dat plein liet de Vereeniging voor Gereformeerde Scholen in de Gemeente Amsterdam – op het fraaie tableau boven de deur heeft men dat maar iets afgekort, zonder dat gemeente snappen mensen het ook wel – kort na de vorige eeuwwisseling een mooi gebouw oprichten, dat de Oosterparkschool voor lager onderwijs ging heten. Op de steen helemaal bovenin staat het jaartal 1902, maar de school werd op 2 februari 1903 officieel in gebruik genomen, zo ontleen ik aan het werk van Dr C. Tazelaar uit 1948, dat de vaker bruikbare titel De geschiedenis van een eeuw draagt, met daaronder Samengesteld naar aanleiding van het eeuwgetij der “Marnixschool” te Amsterdam, op 23 augustus 1941. Het is altijd handig de relevante literatuur in huis te hebben.

Het gebouw is al lang – of misschien ook niet zo heel verschrikkelijk lang, ik lees dat het eind jaren negentig nog een dependance werd van de openbare Linnaeusschool – niet meer als school in gebruik. Tegenwoordig zijn er een huisartsenpost en een dienstencentrum in gevestigd.

-

Oneffenheid
En, het moet gezegd worden, het gebouw ziet er weer pico bello uit. Maar er is één klein detail dat mogelijk zou kunnen storen, maar dat mij juist bijzonder bevalt: het witte deurtje op de zolder net onder de hijsbalk oogt net iets minder glanzend. Als je goed kijkt, valt het eigenlijk nog wel mee. Het zit op zich prima in de verf en toch vertoont het lichte tekenen van verval. Je ziet de zwarte onderkant van het deurtje, wat zwarte kieren en vooral de drempel is enigszins aangetast. Kennelijk is die licht beschadigd bij het naar binnen takelen van een of meer zware voorwerpen.

Ik vind dat eigenlijk wel mooi, zo’n kleine oneffenheid. Een kwart eeuw geleden zagen veel gebouwen in Amsterdam er nogal vervallen uit, maar de stad is de laatste decennia steeds verder opgepoetst, zoals je dat trouwens in steden overal in Nederland ook kunt constateren.

En daarom kijk ik, als ik er op een wandeling vanuit het Oosterpark langs kom, vaak met een zekere vertedering naar dat ene deurtje daar helemaal bovenin, dat ons voorzichtig iets vertelt van de vergankelijkheid der dingen.

Naschrift. Rond 17 uur is in de tweede zin het bestaan van de Korte ‘s-Gravesandestraat, in het verlengde van de overigens bepaald niet erg lange ‘s-Gravesandestraat, toegevoegd. Met dank aan Jaap de Vries. Op de onterechte toeschrijving aan Jan Blokker kom ik morgen in een afzonderlijk stuk terug.

(47)

1 januari 2012

Gelukkig Nieuwjaar! Over het persoonlijke als cliché

.:.

Taal en wereld
Aan het begin van de Philsophische Untersuchungen (1953) reageert Ludwig Wittgenstein (1889-1951) op een fragment uit de Confessiones (397/8) van Aurelius Augustinus (354-430), waarin de geleerde bisschop van Hippo beschrijft hoe de woorden van de taal voorwerpen aanduiden. Wittgenstein lijkt hier vooral in gesprek te zijn met zijn eigen oude afbeeldingstheorie uit de Tractatus logico-philosophicus (1921/22).

Haus Wittgenstein (ook wel Stonborough House), Kundmanngasse te Wenen, in 1925 in opdracht van Margarethe Stonborough-Wittgenstein ontworpen door de architect Paul Engelmann en de filosoof Ludwig Wittgenstein en voltooid in 1928 (foto: camera_obscura)

Wittgenstein stelt zich nu een primitieve taal voor waarin slechts vier woorden bestaan. Ik geef het Duitse origineel en (voor wie van vreemde talen houdt) de Engelse vertaling direct achter elkaar.

‘Denken wir uns eine Sprache, für die die Beschreibung, wie Augustinus sie gegeben hat, stimmt: Die Sprache soll der Verständigung eines Bauenden A mit einem Gehilfen B dienen. A führt einen Bau auf aus Bausteinen; es sind Würfel, Säulen, Platten und Balken vorhanden. B hat ihm die Bausteine zuzureichen, und zwar nach der Reihe, wie A sie braucht. Zu dem Zweck bedienen sie sich einer Sprache, bestehend aus den Wörtern: »Würfel«, »Säule«, »Platte«, »Balken«. A ruft sie aus; – B bringt den Stein, den er gelernt hat, auf diesen Ruf zu bringen. – Fasse dies als vollständige primitive Sprache auf.’

‘Let us imagine a language for which the description given by Augustine is right: the language is meant to serve for communication between a builder A and an assistant B. A is building with building stones: there are blocks, pillars, slabs, and beams. B has to pass the stones, and that in the order in which A needs them. For this purpose they use a language consisting of the words “block,” “pillar”, “slab,” “beam.” A calls them out; B brings the stone which he has learnt to to bring at such-and-such a call. – Conceive this as a complete primitive language.’

Het aardige is dat Wittgenstein zijn taal wel uit vier woorden laat bestaan die voorwerpen in de wereld aanduiden, maar dat die woorden hier al meer doen dan simpelweg beschrijven. Hij merkt dat iets verderop zelf ook op. Ze functioneren als vragen of bevelen. De bouwer geeft er aan een assistent mee aan wat hij wil. Wittgenstein heeft het in dit postume boek dan ook vooral over het gebruik van de taal en hoe die functioneert. Toch zie je aan dit beginvoorbeeld dat hij nog wel erg denkt vanuit de gedachte dat taal een verschijnsel is dat buiten of tegenover de wereld staat en die beschrijft of ‘representeert’, en pas tegen die achtergrond opmerkt dat taal nog wel iets anders doet.

-

Groeten
Neem nou alleen die twee bouwlieden. Het is wel een erg surrealistische wereld waarin mensen slechts vier woorden spreken. Maar er is meer. Het kan natuurlijk niet. Voor ze aan het bouwen gingen, moeten de beide bouwlieden toch bepaalde afspraken gemaakt hebben: ik ga dit doen, jij gaat dit doen. Ze hebben zich samen iets voorgenomen en iets afgesproken omtrent de rolverdeling. En daarvoor al moeten ze elkaar ontmoet hebben en daarbij zullen ze elkaar toch zeker begroet hebben.

Zelfs dieren groeten elkaar. Ik herinner me een hond en een kat die elkaar elke morgen als de eerste naar buiten kwam, in een uitvoerig ceremonieel begroetten. Dat werd weliswaar begeleid door klanken, maar was vooral een lijfelijk gebeuren, maar sommige dieren gebruiken wel degelijk geluiden om elkaar te begroeten. Als ik een ‘theorie’ over het ontstaan van taal zou opstellen, als zoiets al zou kunnen, zou ik, denk ik, bij de groet beginnen. Taal begint bij de ontmoeting.

Dat zie je ook bij baby’s. Wat zijn de ouders trots als het kind voor het eerst ‘papa’ of ‘mama’ zegt, terwijl een dergelijke uiting in beschrijvende zin toch weinig aan de wereld toevoegt. Het gaat om herkenning en erkenning. En volgens mij beginnen baby’s en kleine kinderen ook niet met woorden, maar met klanken, die al snel iets van zinnen krijgen. Ze weten niet wat losse woorden zijn. Ze willen iets duidelijk maken en dat doen ze in klanken die steeds meer samenhang gaan vertonen, en pas veel later leren ze wat afzonderlijke woorden zijn.

Om het maar eens scherp te zeggen: taal is niet samengesteld uit woorden. Pas later leer je om talige uitingen in woorden te ontleden. Woorden vinden hun plaats alleen in samenhangende gedachten en komen daaruit voort.

-

Dagelijks
In het tweede, jahwistische scheppingsverhaal in Genesis benoemt de mens eerst de dieren. Er wordt vaak de nadruk op gelegd dat het geven van namen een vorm van beheersing of macht is en dat zou heel goed kunnen, maar je kunt er ook meer nuchter een oefening in praktische ontologie in zien: de wereld van de dieren wordt ingedeeld in soorten: vee, vogels en wilde dieren. De indeling is nog gericht op het gebruik ook, gezien het onderscheid tussen huisdieren en de dieren buiten op het veld.

Er zit iets vreemds in het gebruik van taal door iemand die volgens het verhaal in zijn eentje is, maar juist bij het geven van de namen ontdekt dat mens dat hij geen helper heeft die bij hem past, terwijl dat toch de bedoeling was van het uit de aardbodem vormen van de dieren. Er klopt iets niet in de orde van de wereld, ontdekt hij zo. Vervolgens bouwt God dan uit een rib een vrouw, eindelijk iemand die bij hem past, van zijn eigen gebeente en zijn eigen vlees. Dat is erg fysiek uitgedrukt, maar het is wel iemand die hij kan groeten en die iets terug zal zeggen, die hij kan liefhebben en die hem zal liefhebben.

Taal is allereerst relationeel. Taal is niet primair een verhouding tussen een subject en de wereld, waarin het object afgebeeld wordt, taal is allereerst een kwestie van menselijke communicatie. In vorige stukjes, vooral in Taal en de orde van de wereld, maar ook wel in Vergankelijkheden en scheppingen, heb ik er vaak de nadruk op gelegd dat we gedoemd zijn om origineel te zijn. Als je ergens een beschouwing over schrijft, dan zal het overgrote deel van je zinnen voor de eerste keer en waarschijnlijk ook voor de laatste keer zo geformuleerd worden. Maar het opmerkelijke is dat dat niet geldt voor de dagelijkse omgang.

Juist in het persoonlijke verkeer overheerst het cliché. De meest persoonlijke uiting van alle, ‘ik hou van je’, is meteen het grootste cliché aller tijden dat in kleine variaties in allerlei liedjes en in wat meer varianten in goede poëzie bezongen wordt. Aan tafel vragen we of iemand de boter even wil doorgeven en daar zijn niet zo verschrikkelijk veel verschillende mogelijkheden voor en bij het arriveren op het werk volgen er bij de begroeting wat obligate opmerkingen over het weer van die dag of over de drukte op de weg of in de trein. Het zijn woorden die elke dag weer vallen en waar niets origineels aan is en die toch de onderlinge verstandhouding scheppen.

-

1 januari 2012
Ook vandaag wemelt het weer van één zo’n cliché dat we alleen op deze dag en de volgende dagen in de mond nemen en dat in vele talen vertaald kan worden:

Gelukkig Nieuwjaar!

(46)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers