Archief voor november, 2011

27 november 2011

Klopt het verhaal van Lex Runderkamp (NOS) over de kerkbrand in El Marinab? [Marinab I]

.:.

Let op: zie ook het tweede naschrift dat op maandag 28 november rond 11 uur is toegevoegd.

.:.

Het NOS Journaal zond op zaterdag 26 november 2011 een reportage van Lex Runderkamp uit vanuit het Egyptische dorp El Marinab (ook wel geschreven als El Mari-Nab) nabij de stad Edfu (of Idfu) in het gouvernement Aswan, waar op vrijdag 30 september 2011 een koptische kerk in de fik gestoken zou zijn, een gebeurtenis die vervolgens tot protesten op 9 oktober in Cairo leidde, waarbij vele doden vielen. Runderkamp noemde een getal van 28.

-

Koptische kerk van Mar Girgis (Sint Joris) in Marinab in aanbouw. (Foto: Internet Files)

Het verslag van Lex Runderkamp
‘In het dorp blijkt het verhaal toch anders te zijn’, betoogde Runderkamp. Er was helemaal geen bestaande kerk in de fik gestoken, het ging om een kerk in aanbouw. Kortom, het ging om een brand op een bouwplaats. En de kopten in El Marinab, volgens Runderkamp een groep van ongeveer dertig mensen, zouden nooit een eigen kerk gehad hebben. Ook zouden die kopten ‘steeds’ ontkend hebben dat ze een kerk aan het bouwen waren. Ze noemden het een gastenhuis. Pas twee maanden geleden zouden de inwoners ontdekt hebben dat het wel degelijk om een kerkgebouw ging, omdat toen ineens een kerkkoepel op het bouwwerk verscheen.

De kopten beschuldigden jonge moslims van de brand, maar Runderkamp liet iemand aan het woord die beweerde dat de kopten zelf het vuur hadden aangestoken. Die dag zou de gemeente toch al komen om de koepels te verwijderen. In de woning naast de kerk zouden de kopten al autobanden verzameld hebben. En toen moslims hielpen bij het blussen, belden ze de politie en beschuldigden ze de helpers juist van brandstichting.

‘Er is in Egypte geen politie die uitzoekt wie de brand heeft aangestoken’, besloot Runderkamp. ‘We gaan er eigenlijk allemaal blindelings vanuit dat de moslims dat gedaan hebben, maar er zijn echt sterke aanwijzingen dat iedereen – ook de internationale gemeenschap – reageert op verkeerde feiten.’

-

Twee andere verslagen
Wat die sterke aanwijzingen dan wel zijn, vertelde Runderkamp er niet bij. Je hebt meer nodig dan de gloedvolle bewoordingen van een onbekende meneer Abdallah Ali, die de kopten ervan beschuldigt het gebouw zelf aangestoken te hebben. Het ziet er zelfs naar uit dat Runderkamp zich door enkele dorpsbewoners nogal in de luren heeft laten leggen.

Eigenlijk is het voldoende om naar twee artikelen te verwijzen.
1. Allereerst zijn daar de voorlopige onderzoeksbevindingen, ‘Burning the Dome: AWR Investigates Sectarian Violence in Edfu’, van de Nederlander Cornelis Hulsman, die hij op 2 oktober doorbelde aan Jayson Casper in Cairo, die ze op de site van Arab West Report plaatste. Samen met Lamis Yahya arriveerde Hulsman al een dag na de gebeurtenissen, op 1 oktober dus, ter plaatse.
2. Ten tweede is daar het artikel ‘Trigger for Copts’ anger: El-Marinab Church as a model’ door Sherry El-Gergawi in Al Ahram van 11 oktober. Dat is een uitvoerig en kritisch artikel – ‘facts are stubborn things - dat probeert voorbij inmiddels circulerende geruchten en halve waarheden te komen en dat zo te zien op degelijk onderzoek is gebaseerd. Een versie met commentaar van Hulsman, die enkele opmerkingen iets te veel in het ‘voordeel’ van de koptische visie acht, maar het stuk als betrouwbaar (‘no obvious errors’) typeert, kan men hier vinden (zoek voor de vijftien blokjes met commentaar op ‘CH:’).
Lees vooral die twee stukken. Daar ontleen ik de belangrijkste feiten aan, als ik nu Runderkamps verslag langsloop.

-

1. Hoeveel kopten?
Eerst maar even een klein vraagje als begin. Runderkamp heeft het over ongeveer dertig christenen. Dat is wel een erg klein aantal voor een gebouw dat net iets meer leek of lijkt te moeten worden dan een onooglijk zaaltje. Sherry El-Gergawi schrijft dat kopten verklaren ‘that 250 of them lived in the village, and not 75 as the extremists claimed’. Hulsman vindt dat een overdrijving:

‘Muslim testimony estimated no more than 30 Christians in the whole village, while Christian testimony varied from between 30-50 families. Testimony from security personnel estimated 70 Christian people.’

Er wordt dus zowel in personen als in gezinnen gemeten. En Runderkamp lijkt zich dus aan te sluiten bij zijn islamitische informanten, maar groot is de koptische gemeenschap in El Marinab in ieder geval niet. De dorpspriester, vader Makarios Boulos, verzorgt ook omliggende dorpen.

-

2. Nooit een kerk?
Belangrijker is Runderkamps bewering dat de kopten in El Marinab nooit een kerk hebben gehad. Sherry El-Gergawi schrijft dat de kerk van Mar Girgis, de Heilige Joris dus (denk aan de grote kerk in Amersfoort), altijd een kerk is geweest en geen gastenhuis: ‘Copts have worshipped on the premise in this house of God since as far back as 1949.’ Hulsman tekent daarbij aan:

‘What constitutes a church — a building with a formal license? If that is the case then many houses of worship, both churches and mosques, do not meet that criterion. But if the criterion was that prayers were held, which were, furthermore, known in the entire community then this indeed was a church.’

In het verslag van zijn eigen bevindingen staat:

‘The attacked structure used to be the home of the now deceased Mu‘awwad Yūsuf, who bequeathed it to his son who is no longer resident in the village. Muslims presented official documents stating the building to be a residence (manzil) and apartment (shiqqa), while Christians presented official documents stating its approval as a church. Christians also offered photos prior to the attack demonstrating the inside of the building functioned as a church, but from the outside there were no signs of distinctive church architecture. Arab West Report obtained copies of all documents and will proceed to investigate further.’

De bewering van Runderkamp heeft dus enige grond, maar is niet volledig. Het gebouw op die plek functioneerde allang als een kerk – er wordt elders ook over zeventig jaar of over 1940 of over een onbepaalde lange tijd gesproken –, kopten konden kennelijk officiële documenten overleggen, maar nadat het pand bouwvallig was geworden, kregen ze toestemming een nieuw gebouw op te richten. Wat dat zou worden, moet de volgende vraag zijn.

-

3. Kerk of gastenhuis?
Dan de vraag of de kopten ‘steeds’ ontkend hebben dat ze een kerk aan het bouwen waren. Wat ze zo op straat zeiden, weten we niet. Maar het artikel in Al Ahram beschrijft hoe ze in september 2010 een verzoek indienden om de kerk te mogen renoveren, omdat het gebouw er kennelijk zo slecht aan toe was dat er instortingsgevaar dreigde. Een commissie van het gouvernement in Aswan deelde na inspectie mee dat restauratie niet zou helpen en dat ze beter een nieuw gebouw konden oprichten. De autoriteiten in Cairo gaven daarop aan geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van vergunning voor nieuwbouw. In mei werd er een bouwvergunning afgegeven voor de bouw van de kerk van Mar Girgis. Het ging nadrukkelijk om een kerk en niet om een gastenhuis. Sherry El-Gergawi schrijft:

‘After obtaining the license, Copts began to rebuild the church with concrete foundations, which would sustain a second floor, as well as a dome, in accordance to building permits obtained.’

Als dat klopt en er een koepel in de tekeningen was opgenomen, dan betrof de vergunning niet alleen een gebouw dat als kerk zou gaan dienen, maar ook als zodanig herkenbaar zou zijn.

Runderkamp voert in zijn reportage een zekere ‘vader Salib Aldik’ op, volgens hem de ‘hoogste kopt uit de regio’. Het ligt er dan wel aan hoe je dat laatste begrip opvat, want op zich zou je zeggen dat dat uiteraard Anba Hedra (ook wel: Hidra), de bisschop van Aswan, is. Merkwaardig is dat de opgegeven naam nergens in Google te vinden is. Maar Runderkamp doelt kennelijk op vader Salib Elias, die ook wel simpelweg als vader Salib wordt aangeduid, en die volgens verslagen inderdaad de vertegenwoordiger van de bisschop voor de omgeving van Edfu is. Let op wat deze priester in het NOS-verslag volgens de ondertiteling zegt:

‘Wij kunnen een afspraak maken: wij noemen het een ontmoetingsplek. En als het toch een kerk blijkt te zijn hebben jullie het recht om hem te vernietigen.’

De datering van dit fragment is, althans voor mij, enigszins lastig. Op vrijdag 2 september – dat is dus inmiddels bijna drie maanden geleden en niet twee – was er ‘verzoeningsbijeenkomst’ van lokale moslims en kopten, waar het persbureau AINA een week later over berichtte, toen de zaken inmiddels behoorlijk uit de hand waren gelopen. De titel luidde dan ook: ‘Muslims Blockade Christian Village in Egypt, Demand Demolition of Church’. De koptische vertegenwoordigers stemden daarbij in met de eis dat er geen kerkklokken, uitwendige kruisen of luidsprekers zouden worden aangebracht. Maar op dinsdagavond 6 september, meldt het bericht, verzamelden dezelfde moslims zich weer bij de kerk, waarbij ze nu de verwijdering van de zes kleine koepels verlangden en eisten dat de kerk een gastenhuis of zoiets genoemd zou worden. Het bericht zegt vervolgens:

‘Early this morning two army tanks arrived at the village, manned by officers. The military governor paid a visit to the village today together with area heads of security to solve this crisis.’

Omdat het bericht op vrijdag 9 september net na middernacht is geplaatst, lijkt het te gaan om donderdag 8 september. En het fragment zou van de bijeenkomst die dag kunnen zijn. (Hier is een fragment van een minuut en eenentwintig seconden en hier vindt men nog vele langere fragmenten van een tv-programma waarin het over de bijeenkomst gaat. Ik kan geen Arabisch, maar heb de fragmenten gevonden door de naam van vader Salib Elias via Google Translate naar het Arabisch over te laten zetten en die zoekterm vervolgens in te geven. De fragmenten zijn bij mijn weten allemaal vanaf 1 oktober, dus na de brandstichting, geplaatst, maar de bijeenkomst moet zeker ruim daarvoor plaats hebben gevonden. Ik denk dus op 8 september of daaromtrent.)

Het AINA-verslag en het fragment dat Runderkamp toonde, maken in ieder geval duidelijk dat vader Salib niet maar zo een ‘speech’ hield, zoals Runderkamp zegt, maar in een confrontatie met lokale moslims en bestuurders kennelijk een concessie deed. Je kunt dat zien: hij maakt ter plekke een afspraak. Dat impliceert dus meteen dat het volgens hem tot dusverre wel degelijk om een kerk ging, maar dat hij op dat moment bereid is met een andere benaming akkoord te gaan.

Het AINA-verslag, dat dus van (ruim) drie weken voor de brandstichting is, zegt:

‘They listened to the Muslims, who insisted the previous church was not a church, but a hospitality home. The Coptic side was represented by Father Makarious Boulos, Father Salib Elias of the Aswan Coptic Diocese and lawyers representing the church, who presented all valid documents.’

Nadat ze een kleine week eerder het weglaten van klokken en kruisen aan de buitenkant al hadden ingewilligd, waren de koptische woordvoerders nu onder druk bereid om akkoord te gaan met een andere benaming, maar niet met een verandering van het bouwplan. Ze hielden vol dat ze toestemming voor de bouw van een kerk hadden, maar ze wilden het gebouw desgewenst best anders noemen. Let op: ze stemden daarmee alleen in met een terugkeer tot een benaming die het gebouw volgens moslims ook tot dusverre had gehad.

Wat mogelijk wel klopt, is dat de kerk in aanbouw vier meter hoger was dan de negen meter die de bouwvergunning toestond. De bronnen zeggen dat zulke inbreuken in Egypte schering en inslag zijn en dat er kennelijk meestal niets aan gedaan wordt. Maar in dit geval had het gouvernement kennelijk maar weinig tijd gegeven om de ‘fout’ te herstellen.

-

4. Wie stichtte de brand?
Runderkamp zegt zelf net niet dat de kopten het gebouw eigenhandig in de fik hebben gezet, maar het is wel de suggestie waar de kijker mee blijft zitten. Wie er immers ‘blindelings’ vanuit gaat dat ‘de moslims’ het gedaan hebben, zou volgens hem immers wel eens op ‘verkeerde feiten’ – kunnen feiten trouwens verkeerd zijn? – kunnen reageren. De conclusie kan eigenlijk niet anders zijn dan dat hij die meneer Abdallah Ali met zijn verhaal over de koptische zelfbrandstichting gelooft. Veel andere verdachten blijven er immers niet over.

Dat verhaal nu lijkt vooralsnog ongeloofwaardig. Hulsman berichtte op 2 oktober vanuit El Marinab:

‘Following Friday prayers Muslim youths descended on the church and began to destroy the domes. Christian testimony puts their number at around 3000, while security estimated around 1000 youths. Christians provided pictures and video evidence of the attack. Initial Muslim testimony denied these youths to be from the village, claiming they had come from elsewhere. Security sources disagreed, stating they were indeed village youth, and this was corroborated by Sheikh Habib, imam of a mosque in Mari-Nab.’

Let wel: er was een aanval en Hulsman zegt dat er foto’s en videomateriaal bestaan. En volgens het artikel in Al Ahram zei gouverneur majoor-generaal Mustafa El-Sayed van het district of gouvernement Aswan

‘that the Copts’ mistake was promptly corrected at the hands of Muslims and that should be end of story’.

Runderkamp moet wel heel sterke bewijzen hebben, als hij meent dat zijn versie geloofwaardiger is dan die van de gouverneur en vele journalisten en ooggetuigen. Merk overigens op dat het AINA-bericht van vrijdag 9 september, geplaatst net na middernacht, dus voor de dag begon, al berichtte dat moslims uit het dorp, gesteund door salafisten uit naburige plaatsen, toen al dreigden de kerk na de vrijdagsgebeden te zullen vernielen en als moskee in gebruik te zullen nemen. Het voornemen werd slechts drie weken later uitgevoerd.

Wie googelt, kan nog veel meer berichten vinden. Ik ga die nu niet allemaal navlooien, omdat je dan steeds weer moet bekijken of iemand iets uit eerste hand heeft en van betrouwbare getuigen of dat het bericht meer secundair is. Voorlopig lijkt het erop dat Runderkamp zich beet heeft laten nemen door de zekerheid waarmee enkele moslimse dorpelingen ontkenden dat ze betrokken waren.

-

5. Geen onderzoek?
‘Er is in Egypte geen politie die uitzoekt wie de brand heeft aangestoken’, besloot Runderkamp zijn reportage. Maar hij vergat daarbij te vermelden dat er wel degelijk onderzoek is gedaan, al zal ik dit punt nu wat snel en niet helemaal volledig afdoen. Maar een paar dingetjes.

Allereerst heeft justitie op zijn minst enig onderzoek gedaan. Hier bijvoorbeeld een tamelijk willekeurig bericht over de koptische paus Shenouda die begin oktober, na de brand en nog voor de Maspero-onlusten, alle relevante papieren vergunningen betreffende de kerk in El Marinab overlegde aan de militaire raad en het kabinet. Dat bericht meldt dat de Egyptische pendant van het Openbaar Ministerie tien moslims had vrijgelaten die na de rellen gearresteerd waren, waartegen een koptische advocaat protest had aangetekend, omdat de vrijgelatenen de kopten bedreigden. Het zegt niets over de schuld, maar op zijn minst geeft het aan dat er een Egyptisch strafvervolgingsorgaan is dat wel iets uitzoekt of althans hoort uit te zoeken.

En dan is er wel degelijk een officiële onderzoekscommissie ingesteld. Human Rights Watch schrijft in een bericht van 15 november over een rapport van 2 november van de ‘National Council for Human Rights (NCHR)’, Egypte’s nationale mensenrechtencommissie, dat die weer weinig vertrouwen had in een ‘government fact-finding committee’:

‘On October 10 the cabinet established a six-member government fact-finding committee headed by Assistant Justice Minister Amr Marwan to “investigate the causes of the Maspero events, the instigators and all those responsible… in addition to investigating the truth of what happened in the village of Marinab, including reviewing the results of the investigations conducted by the public prosecution.”
The committee has thus far visited Marinab on October 12 to investigate the destruction of the church there, one of the reasons for the October 9 demonstration, but has yet to make public its findings and it does not formally have the power to question any members of the military or to access any of the investigations conducted by military prosecutors.’

Ik neem aan dat dit het ‘investigation committee’ is waar Hulsman het in zijn commentaar op het artikel in Al Ahram dat ik aanhaalde, over heeft (al moet hij zich vergissen als hij denkt dat het artikel zich daarop kan baseren, aangezien het stuk van een dag eerder, 11 oktober, is)

Er wordt, anders dan Runderkamp denkt, kennelijk zeker het een ander onderzocht, maar het fijne weet ik niet van de zaak.

-

Tot slot
Het verslag van Lex Runderkamp roept vele vragen op. Dingen kunnen inderdaad altijd anders zijn dan je denkt. Maar voorlopig valt er voor zijn versie niet veel te zeggen. Het enige dat vast lijkt te staan, is dat de kopten in El Mariban tot dusverre een soort schuilkerk gebruikten – van binnen een volledige kerk, van buiten niet herkenbaar – en dat ze nu een vergunning hadden die door een nieuw gebouw, dat door een dakkoepel wel als kerk herkenbaar was, te vervangen. Daarbij is het mogelijk dat ze wat betreft de hoogte de bouwvoorschriften overtraden. En het lijkt me ook niet op voorhand uitgesloten dat ze met zes kleine koepeltjes het karakter van het gebouw net iets meer accentueerden dan de bouwvoorschriften mogelijk aangaven – maar ik kan daar ook niets hards over zeggen. Ook lijkt het helder dat diverse lokale moslims er grote bezwaren tegen hadden dat in hun dorp een als kerk zichtbaar gebouw zou verrijzen.

Wat we hierbij nauwelijks behandeld hebben, is de dubieuze en ophitsende houding van de gouverneur van Aswan. Voorlopig moeten we er vanuit gaan dat het wel degelijk moslims waren die het gebouw aanvielen en in brand zetten. Runderkamp stichtte meer verwarring dan dat hij liet zien hoe gecompliceerd zaken soms inderdaad kunnen zijn.

.:.

Nawoord. Mijn dank gaat uit naar Jos Strengholt, die wees op het artikel in Al Ahram, dat mij verder op het spoor zette. Hij heeft ook een eerdere versie van dit stuk gelezen, maar de verantwoordelijkheid blijft uiteraard bij mij liggen. Jos stuurde me ook links naar enkele Arabischtalige filmpjes op YouTube, die meer zeggen over de vraag wie de brand gesticht heeft en over het onderzoek – en die (uiteraard) de strekking van dit stuk bevestigen. Na ampel beraad heb ik besloten daar geen links naar op te nemen, omdat ik de teksten zelf niet kan verstaan. Misschien kan hij ze zelf op zijn weblog nog met toelichting publiceren. Het is mogelijk dat hij dit stuk nog aanvult en herschrijft en dan na overleg met mij op zijn eigen weblog plaatst.

Jos Strengholt laat verder nog weten dat hij Kees Hulsman, op wiens bevindingen ik mij nogal verlaat, kent ‘als een buitengewoon zorgvuldige onderzoeker, en dat hij nooit de neiging heeft om christenen in verdediging te nemen.’ Dat is inderdaad de indruk die men krijgt uit het verslag van het onderzoek dat op de eerste dagen van oktober verricht werd. Onbewezen claims worden daarin meteen gesignaleerd, getemperd of weerlegd. Hulsman probeert in alle richtingen kritisch te zijn, zo kan men opmaken uit zijn opmerkingen en vragen.

Ik heb geprobeerd in het bovenstaande verhaal zorgvuldig te zijn, maar ik kan me – op onderdelen – altijd vergissen. Ik heb geprobeerd het zo voorzichtig mogelijk te houden. Maar correcties en aanvullingen verneem ik graag. Ik heb trouwens veel meer berichten op veel meer websites gelezen, maar de verwijzingen in dit stuk wilde ik simpel houden. Het kwam mij voor dat de twee berichten waar ik met name op steun, van groot belang zijn, waarbij dan nog het commentaar van Hulsman op het artikel uit Al Ahram komt. Het is mogelijk dat dit verhaal de komende dag nog verbeterd wordt.

.:.

Eerste naschrift
Het stuk is op 28 november tussen twaalf en half twee ‘s nachts iets verbeterd en aangevuld. De belangrijkste inhoudelijke toevoeging betreft de suggestie dat het gebouw met zes koepeltjes wel eens iets meer als kerk gekenmerkt zou kunnen zijn dan de tekeningen aangaven. Ik weet daar echter in positieve zin niets van. Maar ik wil vooral mogelijkheden die de opwinding onder lokale moslims – en die heeft betrekking op de herkenbaarheid, meer dan op de aanwezigheid – zouden kunnen verklaren, niet bij voorbaat uitsluiten. Het verslag van Hulsman onmiddellijk na de brand is op dat punt ook zeer evenwichtig en bedachtzaam. Als Runderkamp dat en andere verslagen en berichten terzijde wil schuiven, zal hij eerst met uitgebreider bewijs moeten komen.

.:.

Tweede naschrift (maandag 28 november ongeveer 11 uur)

Toevallig zag ik dat op een site waar een meer ideologische benadering heerst, door Kees Hulsman, op wiens voorlopige rapport ik mij in het bovenstaande in hoge mate baseer, een reactie werd gegeven. Hulsman begint:

‘Ik was enkele uren na de kerkverbranding in Marinab en heb dezelfde mensen gesproken die Runderkamp heeft gesproken. Maar, zoals gebruikelijk in Egypte, veranderen verhalen over conflicten naarmate de tijd vordert. We hebben een heel nauwkeurig verslag gemaakt van die gesprekken. Runderkamp had er goed aangedaan om ons rapport eerst te lezen voordat hij naar het dorp ging. Abdallah deed toen geen beweringen dat Kopten de kerk zelf in brand had gestoken. De politie officier ter plaatse was duidelijk: enkele honderden jongeren hebben dit kerkgebouw in aanbouw aangevallen.’

Hier blijkt dus dat Hulsman ook de door Runderkamp in het NOS Journaal opgevoerde Abdallah Ali gesproken heeft en dat die toen iets anders vertelde. Hulsman eindigt met de conclusie:

‘Journalisten die onvoldoende zijn voorbereid kunnen zich makkelijk door of de ene of de andere partij laten inpakken. Dat is ook hier gebeurd.’

Ook de rest van zijn reactie is zorgvuldig. Belangrijk is dat hij schrijft:

‘Het ging hier om een poging van Christenen om een eenvoudige gebedsruimte (niet geregistreerd als kerk) te veranderen in een formeel kerkgebouw.’

Er valt dus wel degelijk iets over plaatselijke ingewikkeldheden uit te leggen, maar de reportage van Runderkamp was daar niet de beste bijdrage aan. Een zo zakelijk mogelijke benadering, zoals Hulsman die geeft, is mijns inziens de beste. Het heeft geen zin om Runderkamp allerlei kwade bedoelingen in de schoenen te schuiven, maar het heeft er wel alle schijn van dat hij zich in het ootje heeft laten nemen. Terwijl hij dacht kritisch te zijn, lijkt hij zich toch voor de gek te hebben laten houden. Tenzij hij uiteraard met veel overtuigender materiaal komt, dat alle berichten tot dusverre weerlegt.

(29)

[Gepubliceerd: zondag 27 november 2011, 23.22 uur. Toevoegingen op maandag 28 november]

18 november 2011

Regels zijn regels – Over schikken en plooien

.:.

Het is nu ruim elf jaar geleden, dat op de dag voor Prinsjesdag, maandag 18 september 2000, een stuk in NRC Handelsblad verscheen, waarbij – die formulering is bewust, zal zo blijken – de tweede zin luidde:

‘Regels zijn regels en die moeten worden nageleefd.’

Ik heb de laatste tijd vaak aan dat stuk moeten denken en voor de gelegenheid heb ik het maar eens opgezocht. Dat regels regels zijn, hebben we het afgelopen decennium nogal eens gehoord. Het is een bekende mantra geworden, die – ik vermoed soms door dezelfde lieden afhankelijk van het onderwerp – op twee wijzen kan worden aangehaald. De ene keer om te vertellen dat regels dus écht regels zijn en nageleefd dienen te worden, zoals het er staat dus. En de andere keer om te vertellen dat de opvatting dat regels regels zijn, tekortschiet en van onbarmhartigheid of anders wel gebrek aan inzicht getuigt.

-

In 1994 verscheen in Der Spiegel (28 februari, nummer 9) een kritisch artikel van Erich Wiedemann over het einde van het Nederlandse gedogen.

Regels handhaven
Het artikel waar het om gaat, heette ‘Stop met het gedoogbeleid’. Het opiniestuk was ondertekend door voorzitters of vertegenwoordigers van zeven politieke jongerenorganisaties, die gelieerd zijn aan VVD, PvdA, CDA, D66, GL, CU en SGP. Bewust heb ik hier anachronistisch voor een ordening naar de huidige omvang van de fracties in de Tweede Kamer gekozen. Die laat namelijk zien dat het om het aanstormend talent van zeven partijen ging die ook nu nog een grotere of kleinere, maar allen zeker een opvallende, rol spelen. (Als ik het rijtje zo overzie, denk ik eigenlijk dat van al die partijen de PvdA relatief de minst opvallende rol speelt en dat kon wel eens haar probleem zijn, maar dit terzijde.) Twee van de partijen van heden bestonden toen nog niet. Waarom de SP ontbreekt, weet ik niet. De huidige jongerenorganisatie was toen nog niet meer dan een initiatief binnen de partij; misschien is dat de verklaring.

Veel belangrijker is echter de volgorde van de namen onder de brief, want de eerste twee waren de initiatiefnemers en zij hebben het stuk kennelijk ook samen geschreven en besproken en het vervolgens aan de anderen voorgelegd: Boris van der Ham – hé, die kennen we nog – die destijds voorzitter van de Jonge Democraten, gelieerd aan D66 dus, was, en Jelmer Uitentuis, die lid was van de jongerenfractie van Dwars, de jongerenclub van GroenLinks. Het opvallende is dat toen ik zocht naar een openbare versie van het stuk in NRC Handelsblad, dat daar in het archief zit en alleen voor abonnees toegankelijk is, ik het uitgerekend op sites van de jongeren van de SGP en de ChristenUnie volledig aantrof. Hoe je het wendt of keert, het was een knappe prestatie van deze twee voorlieden van gematigd links om jeugdige vertegenwoordigers van het hele politieke spectrum achter zich te krijgen, van links tot, alleen getalsmatig al, vooral rechts.

De zinsnede die ik aanhaalde, was overigens niet uit het stuk zelf afkomstig. Je weet dat als lezer nooit helemaal zeker, maar gelukkig is het artikel ook terug te vinden op de sites van Boris van der Ham, die ons een versie voorschotelt met alleen maar regels en dus zonder witlijnen – die is echt recht in de leer – en Jelmer Uitentuis, die gelukkig de alinea’s wel dwars met wit onderscheidt – en daar blijkt duidelijk dat het stuk pas na de intro echt begon. Maar op de redactionele lead valt weinig aan te merken, denk ik. Kennelijk had de Rotterdamse redactie bij de tweede zin van haar samenvattende introductie deze passage op het oog:

‘Regels zijn er echter niet voor niets. Soms kan een regel legitiem zijn terwijl een (ogenschijnlijke) meerderheid het nut hier niet van inziet. Identificatie met regels is van belang, maar uiteindelijk zal de overheid wel de knoop door moeten hakken. Dat is juist een van de belangrijkste taken van de overheid: het opstellen van regels en het zorgdragen voor de naleving daarvan.’

Volgens mij is ‘de knoop doorhakken’ daar inderdaad een soort eufemisme voor ‘opleggen’. Vereenzelviging is mooi, maar ook als mensen er niet aan willen, zal de overheid de regels moeten vaststellen en handhaven. Dat betekent inderdaad dat regels regels zijn.

-

Gedogen en geloofwaardigheid
Het is bekend dat mensen nogal eens de neiging hebben om te doen alsof zij altijd al dezelfde verstandige inzichten koesterden die ze ook nu nog naar voren brengen, en dat hoeven we niet altijd te geloven en ik geloof het ook van mezelf niet immer, maar in dit geval herinner ik me tenminste nog wel scherp dat het betoog me destijds al een ongemakkelijk gevoel bezorgde en dat ik het met de strekking regelrecht oneens was, en nu ik het opnieuw bestudeer, is dat nog precies zo.

Wat de zeven jongerenorganisaties – ik denk dat we alle ondertekenaren gelijkelijk aan moeten spreken en het gaat me echt niet specifiek om de eerste ondertekenaar, die thans het meest bekend is, en van wie ik niet zou weten hoe hij nu over dit soort aangelegenheden denkt – destijds wilden, lijkt wel duidelijk: een eind aan gedoogpolitiek en daarvoor in de plaats een politiek die duidelijke keuzes maakt. ‘Willen de regering en het parlement oprechte politiek bedrijven, dan gedoogt zij niets meer.’ Dat is inderdaad: regels zijn regels. Maar waarom eigenlijk? Wat was eigenlijk het probleem waar het betoog een antwoord op probeerde te geven? Daar valt nog niet zo gemakkelijk achter te komen. Misschien is het het beste hier te beginnen:

‘In haar bereidwilligheid om compromissen te sluiten, gaat de Nederlandse polderpolitiek soms een stap te ver. Deze stap heet ‘gedoogbeleid’ en holt systematisch de geloofwaardigheid van de Nederlandse politiek en het democratisch rechtssysteem uit.’

Dat moet de gedachtegang ongeveer zijn: als je regels maakt, moet je ze ook handhaven, en als je dat niet doet, dan ben je niet geloofwaardig. Met name jongeren zouden daardoor ‘hun affiniteit met de politieke besluitvorming’ verliezen. Ze willen, zoals dat aan jeugdigen eigen is, duidelijkheid: wat mag, wat mag niet?

Als erom gaat wat de auteurs onder gedoogbeleid verstonden, komen we uit bij een tamelijk kleine, maar wel bonte verzameling: wetshandhaving door de Amsterdamse politie, vliegbewegingen rond Schiphol, softdrugs, euthanasie en tenslotte ‘Europese besluitvorming’ en samenwerking in de Verenigde Naties, waarbij zelfs het feit dat de Verenigde Staten intern wel eens iets uitspoken dat wij niet goed vinden, onder het Nederlandse gedoogbeleid geschaard werd – dat ging wel een beetje ver. Ik vraag me wel af of ook destijds al die voorbeelden wel onder één noemer geschaard konden worden. Voor een deel ging het om gewone ietwat gebrekkige wetshandhaving, niet per se om een heel doordacht beleid. Dat in Amsterdam sommige regels sinds de jaren negentig weer wat strenger gehandhaafd worden, is soms niet onprettig. Ik herinner me dat ik vroeger wel eens uitgescholden werd als ik gewoon voor een rood verkeerslicht stopte: dat hinderde andere fietsers maar die er doorheen wilden fietsen. Als regels zoals nu het geval is, wat meer gehandhaafd worden, is dat dikwijls ook ontspannener: je hoeft niet telkens allerlei overwegingen te maken, je volgt de regels en klaar is kees.

-

Norm en praktijk
Maar ik weet niet goed of alle voorbeelden wel goede voorbeelden waren. En wat belangrijker is: of wat we werkelijk gedoogbeleid noemen, wel zo verfoeilijk is als de politieke jongeren in 2000 deden voorkomen:

‘Het gevolg van het gedoogbeleid is een slappe vertoning, die het midden houdt tussen lafheid en laksheid. Het imago van de politiek komt het in ieder geval niet ten goede. Het gedoogbeleid toont dat regels blijkbaar arbitrair zijn. Feitelijk worden burgers opgeroepen om de wet te overtreden. Dat is een slechte zaak.’

Ik geloof daar niks van. Het tegendeel lijkt me namelijk waar. Er zit ook een merkwaardige omkering in de redenering: gedoogbeleid roept burgers niet op om de wet te overtreden, burgers doen dat al en dat wordt door de vingers gezien en hooguit dan kun je zeggen dat ook andere burgers zo hun conclusies trekken. Maar om nou over een oproep te spreken? Gedogen is gewoon een ander woord voor tolereren of verdragen, wat je ook onmiddellijk merkt als je een en ander in een andere taal moet uitleggen, waarbij het begrip wel een specifieke bijklank en toepassing heeft.

En wat gedoogbeleid juist helemaal niet laat zien, is dat regels arbitrair zijn. Het tegendeel, zou ik zeggen. Gedoogbeleid laat juist zien dat je regels laat bestaan ook op het moment dat je ze niet volledig kunt handhaven. Je past ze niet maar zo aan aan de praktijk, nee, als norm blijf je ze hooghouden, en je accepteert dat het geleefde leven daar wel eens wat vanaf kan wijken. Soms verschaft de regel de overheid namelijk wel de mogelijkheid om in te grijpen als het echt uit de hand loopt. Prostitutie was lange tijd een praktijk die gedoogd werd. Eind jaren negentig besloot men de zaak nu eens flink te gaan regelen door een mooie wettelijke regeling. Maar is daardoor vrouwenhandel en vrouwenmishandeling uitgebannen? Nee, het volhardende werk van Lodewijk Asscher in Amsterdam laat zien dat er nog heel wat te verbeteren valt. Ik zeg hiermee niet dat je alles maar via gedogen moet aanpakken en dat een heldere wettelijke regeling soms niet beter kan zijn. Maar het is nu eenmaal niet zo dat de werkelijkheid zich altijd onmiddellijk aan een wettelijke norm aanpast en omgekeerd is het ook niet altijd verstandig je dan in de wet meteen maar bij de praktijk neer te leggen, omdat je je dan meteen de kans op een betere aanpassing aan het ideaal in de toekomst ontzegt.

Zo rond de jaren zeventig en tachtig heerste in het buitenland, met name Duitsland, vaak het beeld dat Nederland zo verschrikkelijk progressief en tolerant was en de Nederlandse en vooral Amsterdamse omgang met drugs en de openbare orde – de lange haren van militairen kunnen er zo bij en er valt waarschijnlijk nog van alles te verzinnen – werden dan gezien als een uiting daarvan. Ik vond dat beeld toen al overtrokken. Het is uiteraard waar dat het in Amsterdam vaak om progressieve bestuurders ging, maar elders in Nederland en op nationaal niveau was dat lang niet altijd of zelfs meestal niet het geval en zoveel verschil in benadering was er niet. (Duitsers vermoedden er overigens vaak calvinisme achter: zij hebben een veel gunstigere opvatting van die stroming dan in Nederland gebruikelijk is.) En er is ook weinig specifiek progressiefs aan gedogen. Je kunt eerder betogen dat het om een oude, bij uitstek regenteske bestuurspraktijk gaat. Soms buig je wat mee en soms haal je de teugels weer wat aan. Dat is juist de ruimte tussen de norm en het leven die gedoogbeleid biedt. En het een kan even verstandig zijn als het ander. De tijdgeest verandert. Soms is het heel verstandig om zaken even op hun beloop te laten en twintig jaar later kan het net zo wijs zijn om de regels even weer wat fermer te handhaven.

-

Prinzipienreiterei
Er zat een merkwaardige tweeslachtigheid in de oproep uit 2000. Aan de ene kant verklaarden de jongeren dat ze niet terugverlangen naar de oude polarisatie en prezen ze het compromis. Maar aan de andere kant brachten ze het gelaakte gedoogbeleid wel erg nauw in verband met een politiek van het sluiten van compromissen. Alsof het zoeken naar een mogelijkheid om samen ergens uit te komen, meteen maar betekent dat je slap beleid voert. En alsof gedogen dus een uiting van laksheid is. Ik denk dat het vaak juist van een uiting van kracht is: van een overheid die dingen rustig aanziet en niet overal meteen op losgaat. Juist overdreven handhaving kan soms tot vormen van illegaliteit leiden, die veel schadelijker effecten hebben en veel moeilijker aan te pakken zijn.

Ik dacht de laatste tijd niet primair aan het jongerenbetoog omdat zoiets als gedoogbeleid momenteel zo in het middelpunt zou staan, maar wel vanwege de mentaliteit die er uit sprak, inderdaad die van regels zijn regels, de hang naar duidelijkheid, die naar mijn idee een verlangen toonde naar simpele vragen. We hebben gekregen waar de jongeren van vrijwel alle politieke partijen toen in hun mijns inziens jeugdige onbezonnenheid om vroegen, en ik ben er niet blij mee. Ik heb eens even in Picarta gekeken en de titel Regels zijn regels blijkt meer dan eens aan een boek of beschouwing mee te zijn gegeven. Een jaar voor het betoog van de jongeren, in 1999, verscheen een kinderboek onder die titel, dat in 2002 nog eens herdrukt zou worden. Het ging over een jongen, Tarik, die met zijn ouders al een paar jaar in Nederland woont en met de hele familie een uitwijzingsbevel krijgt. Deze context is ons vertrouwd. In 2006 verscheen een klein boekje onder dezelfde titel van het gesprek dat Paul Witteman in Buitenhof met de juriste Dorien Pessers had gevoerd over de daadkracht van de toenmalige minister voor vreemdelingenzaken en integratie. Als juristen de uitdrukking aanhalen, willen ze al snel uitleggen dat regels niet altijd regels zijn, maar dat ook dingen als redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen.

Maar asielzaken zijn niet de enige waarbij het adagium klinkt. En, zoals ik in het begin al opmerkte, het opvallende is dat dezelfde mensen die de ene keer betogen dat regels lang niet altijd regels zijn, dat in een ander geval maar al te graag naar voren brengen. Ik verwijs nu alleen even naar een beschouwing van Hans Goslinga, nu bijna twee weken geleden in Trouw, over het verdwijnen van het politieke midden. Ik was het toen niet helemaal met hem eens, omdat in de asielzaak waar toen alles om draaide, de minister naar mijn idee het vooral zichzelf moeilijk maakte en de verwijten aan een Kamerlid, dat in de titel werd genoemd, me niet helemaal terecht leken, maar even afgezien daarvan klopt de strekking van het artikel behoorlijk, zelfs als je niet echt gelooft dat een politiek midden volledig aan het verdwijnen is. Wat Goslinga hekelde, was het zwart-witdenken. Je kiest óf dit óf het tegendeel. Alle politiek is wellicht symboolpolitiek en het woord is misschien wel een pleonasme, maar wat me momenteel vooral verbaast, is dat wel heel veel op zich kleine dingetjes, die zo pragmatisch te regelen zouden zijn of soms al geregeld zijn, tot principiële aangelegenheden worden gebombardeerd. En dan hoor je dus ook politici die zichzelf ruimdenkend of liberaal of progressief wanen, ineens zeggen dat regels nou eenmaal regels zijn. Ik zie dat ook in mijn tijdlijn op Twitter, hoe verbeten mensen waar je gezien hun zelfbeschrijving toch enige ruimdenkendheid van zou verwachten, ineens uit de hoek kunnen komen. Er is veel Prinzipienreiterei.

-

Schikken en plooien
Naar mijn uiteraard beperkte waarneming gaat de werkelijke tegenstelling in de maatschappij daarbij door alle partijen heen, maar in Den Haag zie je dat minder. Daar zie je dat bepaalde politieke partijen tegenwoordig regelmatig opkomen voor vrijheid, ruimte en liberaliteit, terwijl andere partijen steevast voor de begrenzing en de inperking kiezen, maar het zijn geen scheidslijnen die vanouds altijd al zo lagen. Concreet belang, minderheid, meerderheid spelen daarbij een grote rol, verhoudingen en houdingen zijn soms recent regelrecht omgedraaid en we zien dat huidige meerderheden vaak niet zoveel begrip meer voor minderheden hebben, zoals huidige minderheden dat vroeger niet immer toonden toen zij tot een meerderheid behoorden. Maar als ik op Twitter kijk, het maatschappelijk debat volg, zo eens met mensen praat, dan ligt het in werkelijkheid genuanceerder. Het gaat om twee verschillende mentaliteiten, waarbij de ene groep anderen graag maximale vrijheid gunt, en de andere groep vooral meent dat andere mensen soms maar aan de eigen normen moeten worden onderworpen. Regels zijn immers regels, nietwaar? Waarbij er dan ook nog weer allerlei tussenvormen zijn, want het gaat er juist om dat zaken niet zo digitaal vastgelegd zijn.

Misschien zit er toch iets meer in het verband tussen compromisbereidheid en gedogen dat de jongeren in 2000 zagen, dan ik direct zag. Bij gedogen gaat het om schikken en plooien, om de bereidheid dan eens wat te geven en dan weer wat te nemen. Het gaat om een pragmatische houding die rekening houdt met het gedrag en de wensen van mensen en ze niet alleen maar voorhoudt dat ze zich aan de wet moeten onderwerpen, maar soms ook begrip toont als ze dat net niet doen of als hun dat soms niet lukt. De houding, dat is het punt. En als het om de houding gaat, dan betekent dat soms ook dat je een vraagstuk net iets anders moet formuleren voor je ermee verder gaat. De vraag maakt veel uit. Mag je liegen? Nee. Mag je een vriend verraden? Ook nee. Er zijn situaties denkbaar waarin beide vragen toepasbaar zijn, maar wel tot tegengestelde uitkomsten leiden. Zo is het ook in de huidige politiek. Soms ligt een vraag voor en graven beide zijden zich met een keur aan argumenten in voor een eenduidig ja of nee. Maar bij wat meer bereidheid samen een uitweg te vinden, zou het wel eens zo kunnen zijn dat de vraag anders geformuleerd zou moeten worden en dat men het dan ineens wel eens is of elkaar redelijk kan naderen.

-

Afstand
In dit stukje ben ik op een aantal punten bewust niet al te concreet geworden. Maar lezers zullen misschien zelf aan een paar thema’s gedacht hebben en ik vermoed dat ze er dan vaak niet zo ver naast zaten. Maar ik wilde nu even wat afstand creëren. Ik merk dat de noodzaak daartoe ook bij mezelf. Er ligt een vraag voor. Ik vind het ene antwoord niet overtuigend, en dat is vaak het meer vrijheidsbeperkende antwoord, maar het gevaar bestaat dan ook al gauw dat ik me te veel met de tegenovergestelde optie vereenzelvig, terwijl als ik een stukje wegloop en het dilemma – als het dat al is – eens van een afstandje overschouw, ik al gauw denk: maar zo moet je het ook helemaal niet aanpakken. In werkelijkheid gaat het om heel andere keuzes. Ik besef daarbij overigens best dat het helemaal niet tegenstrijdig hoeft te zijn om de ene keer tegen het regels zijn regels te protesteren en het de andere keer als norm te hanteren, want als regels nooit regels zouden zijn, zouden het geen regels meer zijn, maar het is vaak wel de vraag om welke regels het gaat. Welke regels zijn de meest verdraaglijke?

Waar het momenteel op aankomt, is of we in dit land pragmatisch met verschillen kunnen omgaan en iedereen zoveel mogelijk recht kunnen doen.

(28)

17 november 2011

Hoor en wederhoor

.:.

Er bestaat een klein misverstand.

Dit: dat je in de journalistiek altijd twee kanten van een zaak moet belichten en dat dat hoor en wederhoor heet. Dat is niet zo.

Een verkeerde toepassing van dit beginsel kan zelfs tot verwarring en misleiding van het publiek leiden. Je interviewt een wetenschapper en die zegt dat dit verschijnsel dat effect teweegbrengt. Er zijn dan journalisten die denken dat je voor het evenwicht ook op zoek moet naar een wetenschapper die zegt dat dat niet waar is. En die werkwijze zie je in het nieuws wel vaker. Iemand beweert iets en daar moet dan per se een ander tegenovergezet worden die dat ontkent of in ieder geval iets heel anders beweert.

'Audiatur et altera pars'. Rechthuis Watergraafsmeer (Foto: Marcel Mulder)

Natuurlijk kan het soms verstandig zijn om een thema vanuit meerdere perspectieven te belichten en dan zijn er vaak wel meer dan twee te vinden. Maar het is echt niet zo dat als je iemand pro of contra een these aan het woord laat, je dan in hetzelfde stuk ook meteen een ander op dient te voeren die juist contra of pro is. Een artikel mag best eenzijdig zijn. Het gaat om dat specifieke thema, om die specifieke mening.

-

Hoor en wederhoor is, misschien niet uitsluitend, maar wel vooral, van toepassing als het gaat om beschuldigingen. Het principe komt uit het recht: audi et alteram partem. Meneer A zegt iets over meneer B of instantie C: dat die dat of dat verkeerd hebben gedaan, of onrechtmatig of wat dan ook. Dan ga je dus even aan B of C vragen wat die daar zelf van vinden. Of ze de beschuldiging weerspreken of dat ze die eigenlijk wel beamen moeten. En als ze die tegenspreken, of ze daar dan ook goede bewijzen voor hebben. Trouwens, dat hoor je ook al aan meneer A te vragen: of die kan onderbouwen wat hij beweert.

Er zijn gevallen waarin je ook na het horen echt geen wederhoor hoeft toe te passen, bijvoorbeeld omdat je zelf wel kunt nagaan dat wat je gehoord hebt, niet klopt. Nou, dan is er dus geen nieuws. Of er is misschien het nieuws dat meneer A valse dingen loopt rond te toeteren. Je kunt dan nog aan B vragen wat hij daarvan vindt, maar misschien hoeft dat niet altijd. Zoals het ook mogelijk is dat blijkt dat beschuldigingen, bijvoorbeeld als ze door een onderzoekscommissie met een schat aan bewijzen zijn onderbouwd, helemaal kloppen. Ook dan kun je aan de beschuldigde nog wel vragen hoe hij daarop reageert, maar om klassiek wederhoor gaat het dan eigenlijk niet meer.

-

De belangrijkste taak van een journalist is namelijk niet om iedereen maar aan het woord te laten, maar om de waarheid te zoeken. Ja, ik weet dat het verdraaid lastig kan zijn om uit te zoeken wat er nu precies waar is, en dat je dat bij veel zaken ook helemaal niet zeker kunt weten. Maar wat je soms wel kunt weten, is dat iets per se onwaar is. Waarheid is vooral een voorwaarde. Waarheid wordt verondersteld, je bereikt die niet altijd, maar je streeft ernaar. Maar onwaarheid, die vermijd je.

Een verhaal mag daarom ook best eenzijdig zijn, zolang het maar geen zodanige vertekening wordt dat de lezers of hoorders of kijkers helemaal op het verkeerde been gezet worden en zelf bijvoorbeeld wel conclusies moeten trekken die wel leiden tot een onjuist beeld. Maar wat nooit mag, is mensen maar zo beschuldigen en in een kwaad daglicht stellen als daar geen goede gronden voor zijn. Daarom bestaat dat principe van hoor en wederhoor. Het is geen streven op zichzelf. Het is een middel om de waarheid te achterhalen. Het gaat om journalistieke zelfcontrole.

Het is geen legitimatie om de waarheidsvraag maar te laten liggen onder het mom: we zetten alles in de krant en de lezer zoekt het maar uit. Dat gaat alleen op als een zaak zo ingewikkeld is dat je als journalist echt niet kunt vaststellen hoe het is. Het geldt trouwens ook voor de opiniepagina’s: daarop moet je vooral allerlei verschillende opvattingen toelaten, maar redacties horen nog steeds wel de feiten te checken en daarbij hoeven we echt niet te denken dat columnisten of aanbieders van artikelen of ingezondenbrievenschrijvers bewust onjuistheden debiteren. Veel vaker zal het gebeuren dat iemand iets net niet goed blijkt te weten of verkeerd opgevangen heeft.

Hoor en wederhoor is een middel, waarheid is het doel.

(27)

16 november 2011

Bang voor Twitter

.:.

Ik ben een beetje bang voor twitter.

Dat klinkt natuurlijk ongeloofwaardig, dat besef ik ook wel. De eerste, overigens automatische, aankondiging van dit stukje is mijn 25.000e tweet. Ik twitter sinds 19 mei 2010 en dat betekent dus dat ik op een paar dagen na anderhalf jaar deelneem aan het twitterverkeer, 546 dagen. Of met andere woorden: dit is dus de 547e dag sinds ik met twitteren begon. Ik heb wel op veel van die dagen getwitterd, maar gelukkig ook weer niet alle. Maar een en ander betekent in ieder geval dat ik gemiddeld bijna 45,8 tweets per dag verzonden heb, bijna 46 dus. En dat is te veel. Ik hoop dat het er in de komende anderhalf jaar minder zullen worden.

-

'Ein guter Aphorismus ist die Weisheit eines ganzen Buches in einem einzigen Satz.' Het meta-aforisme van Theodor Fontane (1819–1898) geldt ook voor een goede tweet. (beeld: Wikipedia)

Reageren
Door sommige sceptici of critici wordt opgemerkt dat twitter – ja ik weet dat het een merknaam is en eigenlijk met een hoofdletter geschreven zou moeten worden, maar het is net als internet ook een soort begripsnaam geworden en daarom heb ik in deze tekst, niet in de titel, toch maar voor een kleine letter gekozen – een medium is waar mensen zich zo nodig zouden moeten laten gelden. Iedereen zou maar van alles de digitale ruimte inslingeren. Het zou een narcistisch medium zijn waarop mensen de ganse dag bezig zijn zichzelf te etaleren. Dat lijkt me een ernstige misvatting van mensen die meestal zelf niet of weinig twitteren. Ik weet zo gauw niet of er een site is die analyseert welke tweets, zeg maar, op zichzelf staan, eenzijdige boodschappen zijn, zelfstandige stellingen, en welke reacties op anderen zijn, maar ik hoef dat ook niet getalsmatig voorgeschoteld te krijgen om ook zo wel te weten dat het allergrootste deel van mijn tweets uit reacties op anderen bestaat. En dat geldt volgens mij voor de meeste actieve deelnemers aan het netwerk. Ik geef toe dat het mogelijk wel interessant zou zijn om te weten of het percentage nu zeg, zeventig of tachtig procent is, of misschien wel ver boven de negentig ligt. Maar zeker is dat de kern van twitteren niet in het zenden ligt, maar in het op elkaar reageren.

Ook daarbij kun je dan nog weer onderscheiden. Besluit jij als eerste te reageren op een tweet van een ander of besluit een ander op een bewering van jou te reageren? Waarbij dan nog weer nadere verdelingen mogelijk zijn. Je hebt ook gevallen waarin mensen in uitwisselingen tussen anderen inbreken. Er ontwikkelen zich hele dialogen die soms van het ene thema naar het andere verschuiven en waarbij ook de mensen die met elkaar in gesprek zijn, langzaam veranderen. Waarbij een van de ingewikkkeldheden, die tegelijk ook tot de charmes behoort, weer is, dat al die namen een deel van de 140 tekens in beslag nemen zodat, hoe meer mensen aan één discussie meedoen, er steeds minder ruimte overblijft om nog iets substantieels te schrijven. Hoe het ook zij, het reageren is de kern van twitter, niet het zenden.

Ik vermoed dat mijn twitterpraktijk gaandeweg wel iets van karakter is veranderd en dat ik aanvankelijk veel meer als eerste op anderen reageerde, terwijl ik nu, nu ik meer volgers heb, vaker reageer op anderen die reageren op een tweet van mij. Daarna doet het er dan overigens vaak weinig toe wie begon of niet, omdat de ander dan ook weer zo zijn opmerkingen inbrengt waar jij op reageert en dat heb je van tevoren nooit in de hand. Voor je het weet, beland je in discussies waar je nooit aan gedacht had en soms ook gaat het om dialogen waar je totaal niet op uit was en soms ook niet eens zin in had. Ik probeer wel zo veel mogelijk op mentions te reageren, al was het maar om de ander te laten weten dat ik zijn reactie gezien heb. En vaak probeer ik, als het even lukt, wel wat werk van het antwoord te maken, vooral als het dus een eerste reactie van de andere zijde is. Zit je eenmaal in een uitwisseling van gedachten, is het iets anders.

-

Volgen
Een wat pijnlijk punt – en hier begint de uitleg van de beginzin – is het onderscheid tussen mensen die jij volgt en mensen die jou volgen. Eerlijk gezegd weet ik niet meer precies hoe het in het begin ging. Je begint, je zoekt een paar vrienden of bekenden op die jij gaat volgen of die jou al gauw gaan volgen. Je zoekt wat interessante mensen die je gaat volgen, politici aanvankelijk denk ik, journalisten ook, mensen die over specifiek nieuws beschikken, in mijn geval met name uit het Midden-Oosten. Aanvankelijk gebruikte ik ook wel het middel van de hashtag om bij een drukbesproken thema aan te haken, zodat ook anderen jou weer ontdekten. Dat doe ik nu zelden nog strategisch, tenzij het om heel specifieke thema’s gaat. In het begin keek ik ook vaak wie mij volgden. Ik zag een nieuwe naam, keek de tijdlijn van de nieuwe volger wat door en als die interessant leek, volgde ik terug. In het begin probeerde ik ook de tijdlijn een beetje bij te houden. Het was toen net alsof er een soort plicht bestond om ook alles te lezen. Maar op een gegeven moment lukt dat – gelukkig, zeg ik nu – niet meer. Ik denk dat mijn eerste antwoord was om minder te gaan terugvolgen. Op een gegeven moment, en dat was in feite al vrij vroeg, ben ik ermee opgehouden om nog te kijken wie mij volgden. Natuurlijk zag ik wel eens vaag aan de avatars dat er nieuwe volgers bij kwamen en soms herkende ik een gezicht, maar al van ver voor de vijfhonderdste volger, schat ik zo in, heb ik nooit meer systematisch bijgehouden wie mij volgden. Ik weet dus ook echt niet tegen wie ik het mogelijk heb als ik een stelling of een aforisme de digitale wereld instuur.

Het had ook een andere reden. Als je eenmaal iemand volgt, is het vaak ietwat pijnlijk om hem te gaan ontvolgen. Toen ik aanvankelijk nog veel las, heb ik wel eens iemand ontvolgd omdat ie in mijn ogen te veel twitterde en ik dat niet allemaal kon bijhouden. Zou ik nu niet meer doen. Later kwamen daar ook wel eens lieden bij waar ik op zich niets tegen had, maar waarvan ik dacht: nu weet ik het wel. Het was te veel steeds hetzelfde. Dat gebeurt trouwens nog wel eens een enkele keer als lieden werkelijk maar één thema hebben, vooral een onderwerp waarvan ze dag in dag uit laten merken dat ze er tegen zijn, zelfs als ik dat op zich ook ben. Ik hoef mijn en vooral hun gelijk nu ook weer niet twintig keer op een dag in kleine variaties bevestigd te zien. Of er waren lieden die steeds dingen twitterden waar ik niets tegen had, maar die me ook niet meer interesseerden. En er waren ook wel momenten dat ik dacht: dat was een tijd leuk, maar nu ken ik dat soort grapjes wel.

-

Ergernissen
En dan heb je de regelrechte ergernissen. Tegen gescheld en plat of ruw taalgebruik of verwijzingen naar vervelende sites zonder elegantie kan ik niet zo goed. Aanvankelijk legde ik ook wel eens uit waarom ik iemand ontvolgde, maar ik heb afgeleerd om dat te doen. Het leidt soms tot ruzie en anders is het vaak onaangenaam voor de betrokkene. Beter kun je wegsluipen. In een DM iets onaangenaams zeggen of iets corrigerends kun je ook maar beter niet doen, vooral als jij diegene niet volgt of niet meer volgt, zodat die jou niet op gelijke wijze kan antwoorden. Een enkele keer kreeg je dan een openbaar antwoord terug, terwijl je het thema juist zo discreet mogelijk probeerde af te handelen. Niet meer doen dus. Ik DM zo weinig mogelijk meer, eigenlijk alleen nog als er een praktisch puntje is. Je bespreekt iets openbaar of je laat het rusten.

Vorig jaar, toen ik me een tijdlang nogal druk maakte over de vorming van het gedoogkabinet en me zelfs een maandlang als actievoerder manifesteerde, een rol die me duidelijk niet ligt, kreeg ik ook regelmatig vervelende lieden vanuit een bepaalde politieke hoek – als je het al politiek kunt noemen – over me heen die dan bijvoorbeeld in kapitalen vertelden dat ik een achterlijke idioot was. Na een poosje heb ik geleerd dat het het verstandigste is, niet te reageren. Bij lieden die alleen maar schelden, direct een block geven en verder geen aandacht aan besteden, dan kost het ook geen tijd en energie en het is beter voor het humeur. Van dat soort reacties heb ik nu zelden nog last. Bij anderen, die net iets minder onbeleefd zijn, is het verstandiger om een ironische of juist een overdreven hoffelijke reactie te geven. Maar ik geef toe dat me dat lang niet altijd lukt. Je kunt wel een bordje op je bureau zetten dat je voorhoudt dat je voortaan alleen maar wijs moet reageren, als je in een andere stemming bent, doe je dat toch niet. Je gelijk van dat moment vertelt je namelijk iets anders. Maar ruziemaken met lieden die de aandacht niet waard zijn, kun je beter maar niet doen.

Maar de regelrechte ergernissen zijn het vervelendste, vooral als het om lieden gaat die je vaak wel waardeert, maar die soms op een wel erg ongenuanceerde of ruwe wijze uit de hoek komen. Het stoort me met name als mensen anderen uitschelden, jou ongewild deelgenoot maken van ruzie met jou onbekenden die ze midden in tweet aanspreken, of die hele groepen veel te gemakzuchtig in een hoek zetten en daarbij vaak ook nog feitelijke onjuistheden of vertekeningen debiteren. Maar ik geef toe dat ik ook daarbij vast en zeker geen algemene maatstaf aanleg. Ik verdraag vast en zeker veel meer als een bekend Limburgs dierenminnend Kamerlid het object is dan wanneer het gaat om, zeg, de voorzitter van de commissie waar hij net uit is gestapt. Ik heb ook wel eens lieden ontvolgd, soms zelfs lieden die ik persoonlijk alleen maar als beleefd en bescheiden ken, omdat ze op vervelende wijze tekeer gingen tegen iemand in mijn tijdlijn die ik waardeerde en waarvan ik vond dat die onrecht werd aangedaan. Je zou eigenlijk een optie moeten hebben om iemand een paar dagen uit beeld te houden, waarna hij dan vanzelf terug mag keren. Om heel andere redenen heb ik overigens ook wel eens mensen ontvolgd, die me op zich buitengewoon sympathiek waren, maar die met andere mensen in mijn tijdlijn een zo hechte, bijna intieme groep vormden dat ik me een voyeur begon te voelen. Ik hoef niet alles te weten.

-

Pijnlijk
Toch heeft de angst voor het pijnlijke van het ontvolgen, naast het eerdere besef dat ik niet alles kon volgen, er dus voor gezorgd dat ik al vroeg karig geworden ben in het terugvolgen. En daar zit ik nu een beetje mee, want ik besef dat er in mijn volgerslijst waarschijnlijk heel wat lieden zitten die ik met plezier terug zou volgen. Een tijdlang had ik in mijn bio staan, dat ik niet iedereen direct kon terugvolgen en dat ik vaak pas deed na interessante uitwisselingen, maar ik vond dat op den duur toch wat arrogant staan: alsof ik ze pas zou gaan volgen, als ze eerst maar hun best zouden doen om met interessante reacties mijn aandacht te trekken. Op zich werkt het vaak nog wel zo, maar ik ben ook echt het overzicht een beetje kwijt. Soms valt iemand me op en dan denk ik heel snel: interessant, die ga ik volgen. Maar soms heb ik ook niet eens door dat ik iemand met wie ik regelmatig van gedachten wissel, niet eens volg en kom ik daar pas na een hele tijd achter. Het lastige is dat ik nu ook niet meer goed weet hoe ik mijn achterstand nog in kan lopen.

Ik heb op het moment dat ik dit schrijf, ongeveer 1160 volgers. Daar zit een hoop ruis bij. Van die commerciële sites die even aanhaken en dan weer verdwijnen. Het ietwat masochistische is namelijk dat ik niet bijhoud wie mij volgen, maar wel een paar keer per week op who.unfollowed.me kijk wie mij ontvolgen. In de zeven dagen die die site terugkijkt, zijn dat er altijd zo tussen de twintig en de dertig. Dat zijn heel vaak commerciële sites die me niks zeggen en ook als het om individuen gaan, waren ze me vaak nog nooit opgevallen. Soms zitten er ook van die typische boekhouders tussen, die vierduizend volgers hebben en hetzelfde aantal mensen volgen en die ik verder nooit, ook niet via retweets of wat dan ook, gezien heb. Een enkele keer zit er echter iemand tussen die ik zeer waardeerde, en dat doet dan soms toch een beetje pijn. Zou ik iets geschreven hebben dat hem mishaagde? Dat soort vragen. Ik ben daar niet de enige in. Uit opmerkingen van andere twitteraars valt op te maken dat de verhouding tussen volgen, terugvolgen en ontvolgen een pijnlijk punt kan zijn. Soms zitten er trouwens ook lieden bij waarvan ik denk: interessant, niet eerder gezien, en dan ga ik ze juist dan volgen. Maar het is dat idee van ‘voor wat hoort wat’, do ut des, dat me altijd nog een beetje bang maakt voor twitter en die de reden vormt waarom ik me daarvoor juist wat afgesloten heb, met alle schade van dien: het mislopen van boeiende mensen.

-

Zwak
Het persoonlijke is het aardige van twitter, maar tegelijk ook het wat verraderlijke. Uiteraard heb ik in de loop van die 25.000 tweets veel meer over mezelf losgelaten dan verstandig is, maar in bepaalde opzichten probeer ik terughoudend te zijn. Er zijn dingen waar ik beslist nooit over twitter en ik ga zelfs niet vertellen tot welke categorieën ze behoren.

Ik heb nog veel meer opmerkingen staan, maar het zou oneerlijk zijn om in ieder geval niet een zwakke kant van mezelf te noemen, die ik via het omgekeerde ga introduceren. Het klinkt aanmatigend, maar ik geloof dat ik me feitelijk niet zo heel vaak vergis. Dat komt ook omdat ik ook veel feitelijkheden die ik uit het hoofd meen te weten, voor de zekerheid vaak toch even nakijk voor ik er iets over opmerk. Maar een enkele keer bega ik een heuse blunder en dan ga ik werkelijk door de grond. Direct toegeven is het beste. Soms kan ik me met de hakken over de sloot ergens uit redden, maar achteraf voelt dat vaak minder goed dan wanneer ik toegeef dat ik iets over het hoofd had gezien.

Maar die eigenschap heeft een keerzijde. Ik kan het soms niet goed hebben als ik een feitelijke fout zie. En dan wil ik daar nog wel eens patsboem, plompverloren een opmerking over maken. Dat is niet altijd even tactisch. Zelfs als ik feitelijk het grootste gelijk van de wereld heb, denk ik achteraf vaak dat ik het omzichtiger en vriendelijker aan had moeten pakken. Het is wijzer om de ander een ontsnappingsroute te laten. Een voorzichtige vraag, een wat omslachtige inkleding was fraaier geweest. En heel vaak is het veel verstandiger om iets niet te zeggen. Dat geldt ook voor meer principiële, abstracte discussie, waarbij voor mij de zaken wel helder zijn, maar waarbij ik er soms pas na een tijdje achterkom dat het perspectief van de ander heel anders is en dan is het soms te laat. In het algemeen heb ik niet zoveel stellige meningen, maar inzake sommige aangelegenheden heb ik die wel en dan redeneer ik te veel vanuit mijn eigen kader. Ik vind mezelf dan achteraf vaak te onaardig en te onvriendelijk. Het is vaak ook niet verstandig om als je het radicaal met iemand oneens bent, de discussie met een harde tegenopmerking aan te gaan. Ik ben soms veel te agressief. Vaak leidt dat tot niets en achteraf heb ik dan spijt, wat me niet belet om een aantal dagen later weer dezelfde fout te begaan. Er zijn gevallen dat ik het echt niet betreur dat ik een ander geraakt heb, maar er zijn meer gevallen waarbij ik denk: dat had ik rustiger aan moeten pakken, dit was zo nergens voor nodig, ik heb iemand door mijn benadering beledigd die dat niet verdiende. Ik probeer daarom het aantal spontane reacties wat terug te dringen, maar … u raadt het al.

-

Slot
Dit wilde ik een keer opschrijven en dit is de gelegenheid, maar eerlijk gezegd vind ik dit tot nu toe niet mijn meest interessante stukje. Ik heb nog veel meer staan, dat misschien boeiender zou zijn, over de persoonlijke contacten die ik het laatste anderhalve jaar heb opgedaan, de mensen die ik persoonlijk via twitter heb leren kennen, maar ook wel de mensen die ik nooit heb ontmoet en waarvan ik toch het gevoel heb dat ik ze een beetje of zelfs behoorlijk goed ken, over de verschillende karakters, die zich ook in die korte mededelingen van 140 tekens maar al te scherp aftekenen, over het besef dat soms daagt hoe verschillend mensen in elkaar zitten en hoe ook mensen met een herkenbare denkwereld toch hun eigen geheimenis, hun eigen persoonlijke invalshoek hebben, die je wel herkent, maar gelukkig ook nooit helemaal zult doorgronden, kortom de verrijking van het leven die twitter vooral biedt. En dan heb ik het, conform de aard van het medium alleen nog maar over de persoonlijke aspecten en nog niet eens over andere denkwijzen, de informatie ook, die je anders tegen dingen aan leert kijken, al gaat er soms wat tijd overheen voor iets werkelijk doordringt.

Ook zou ik nog meer kunnen zeggen over hoe twitter naar mijn idee mijn persoonlijke identiteit – idioot om dat zo te zeggen, maar toch maar – heeft veranderd. Eerder heb ik een stukje geschreven over de verdichting van de tijd, maar parallel daaraan zou een betoog te houden zijn over hoe de moderne technologie ook je identiteit verbreedt, de andere zijde van dezelfde medaille. Alle mogelijke verschillende werelden waarin ik al leefde of soms juist vroeger leefde, komen bij elkaar of keren terug en daar komen dan ook nog andere werelden bij. Dat is ook wel eens wat vermoeiend en ik geef toe dat ik mezelf ook wel eens een leegte te midden van al die verschillende relaties, want dat zijn het toch, voel. Vaak laat ik net niet het achterste van mijn tong zien, vaak houd ik me heel bewust in en vertel ik net niet rechttoe rechtaan wat ik in een persoonlijk gesprek wel zou doen. Dat is, hoop ik, verstandig, maar soms voel ik het ook wel als een kwestie van ontwijken. Er zijn veel mensen die zich in hun bio kort en krachtig met een paar typeringen neerzetten op een wijze waarop ik dat nooit zal kunnen en dat voelt soms ook als een gemis.

Twitter is slechts een van de uitingen van de moderne communicatietechnologie, er zijn er meer. Relatief zitten er nog maar weinig mensen op twitter en het is de vraag hoe het gaat als er meer komen. Trekken mensen zich dan toch meer in kleine, overzichtelijke gemeenschappen terug of zal de huidige breedte, die natuurlijk ook in elke individuele tijdlijn weer anders is – het is soms verrassend en vervreemdend tegelijk om bij vrienden in hun tijdlijn te kijken – blijven bestaan?

Hoe het ook zij, ik heb twitter vooral als een persoonlijke verrijking ervaren, maar juist vanwege het persoonlijke karakter ben ik er altijd ook nog een beetje huiverig voor.

(26)

15 november 2011

Kastijding – Over een geval van morele opwinding

.:.

Eerst wilde ik het aan me voorbij laten gaan.

Gistermorgen keek ik op Twitter en al snel zag ik dat er weer eens een gezellig gevalletje morele opwinding gaande was. Iets met een predikant en slaan. Wijzer wezen, dacht ik bij mezelf, het sop is de kool niet waard, geen aandacht aan besteden. Maar gaandeweg ontdekte ik dat ook mensen die ik normaliter serieus neem, vreemde dingen begonnen te schrijven. En dan kan ik soms de simpele neiging om te vragen of ze nu echt kennis hebben genomen van de tekst waar alles om draait, toch niet bedwingen. Gaandeweg kon ik de zaak zo tegen al mijn voornemens in niet meer helemaal op afstand houden. Daarom dit stukje, een beetje tegen heug en meug.

-

Jan Luyken, De Roede. Ets uit Des menschen begin, midden en einde (1712). (Afbeelding: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)

Het bericht
De zaak, wat is de zaak? Het begon kennelijk met een ‘ontdekking’ door het Leidsch Dagblad. Dat plaatste zondagavond net voor acht uur een bericht op de site onder de kop ‘Katwijkse hervormden: Kinderen slaan is goed’. Het bericht is gisteravond net voor half elf nog bijgewerkt en daarom valt nu niet goed meer na te gaan hoe het oorspronkelijk luidde, maar ik neem aan dat het niet ver afweek van wat er nu staat. (Ik heb het wel eerder gezien, maar een fotografisch geheugen heb ik nu ook weer niet.) Het bericht opent met de zin:

‘Ouders moeten een tegendraads kind slaan en wie dat niet doet, gaat in tegen de wil van God.’

Het bericht gaat dus helemaal niet over de Katwijkse hervormden, die gelijk bekend tot de Protestantse Kerk in Nederland behoren, maar over één man, de hersteld hervormde predikant A. Vlietstra uit Katwijk, van wie lezers van het recente In Katwijk is alles anders van A.Th. van Deursen zullen weten dat hij in 2004 de hervormde gemeente verlaten heeft en overgegaan is tot de Hersteld Hervormde Kerk, om het maar eens te formuleren op een wijze die ik juridisch correct acht, maar hij inhoudelijk mogelijk niet. (Hij zal vast en zeker denken dat hij gebleven is en de anderen tot een nieuw kerkgenootschap, de PKN, zijn overgegaan.) Het Leidsch Dagblad schrijft verder onder meer nog over Vlietstra:

‘Hij haalt teksten aan uit de zeventiende eeuw die ’beslist nog niet uit de tijd zijn’. Als een kind zondigt is ’kastijding’ (lichamelijke bestraffing of slaag) een noodzakelijk antwoord, houdt Vlietstra de gelovigen voor. Een ouder kind mag zwaarder worden gekastijd omdat dat meer kan verdragen. Kinderen die ’obstinaat’ zijn moeten zelfs ’scherp gekastijd’ worden. „Een zware misdaad en gruwel moet niet zacht worden bestraft.”’

En dat bericht werd maandagmorgen kennelijk via andere kanalen, ook via minder fraaie waar we beter maar geen aandacht aan kunnen schenken, verspreid, zodat hardwerkend Nederland vanaf het begin van de werkdag mooi iets had om zich druk over te maken.

Jacobus Koelman
Het is altijd nuttig om in zo’n geval even de originele bron te raadplegen. De krant meldde al dat het om de Hervormde Nieuwsbrief van de Katwijkse herstelde gemeente ging en die bleek – het ging om de uitgave van 11 november –, alweer dankzij Twitter en met name Freek Houweling, niet moeilijk te vinden. Omdat ik al wel rekening hield met het feit dat de pdf na de ophef weer snel verdwijnen zou, wat ook gebeurd is, heb ik die direct maar even opgeslagen. Inmiddels blijkt de kerkbode elders weer toegankelijk zijn gemaakt (met dank aan Lucia Hardonk voor de tip). Wat was het geval? Vlietstra kondigde de geboorte aan van de zesde dochter – niet de vijfde, bij het Leidsch Dagblad kunnen ze ook al niet tellen en andere media nemen zo’n fout klakkeloos over – van een echtpaar met een karakteristiek Katwijkse achternaam en in verband met de opvoeding van ‘een kind met een ziel voor de eeuwigheid geschapen’ gaf hij een aantal citaten door uit het werkje De pligten der ouders, in kinderen voor Godt op te voeden (en nog een hele reeks die ik u besparen zal) van Jacobus Koelman (1631-1695), dat in 1679 voor het eerst bij J. Wasteliers in Amsterdam verscheen en elke nakomende eeuw wel herdrukt is. Koelman, die onder meer ambassadepredikant in Kopenhagen en Brussel was geweest, was toen al een aantal jaren eerder wegens weerspannigheid tegen de overheid door de Staten-Generaal afgezet als predikant van het Noord-Vlaamse, onder algemeen gezag staande Sluis. Iedereen die wel eens wat historisch-pedagogische literatuur heeft doorgenomen, zal van de man en het boek gehoord hebben. Sommige pedagogen zien in Koelman een van de eersten die het kind als een individu met een eigen aard begon te zien; ik denk dat mensen in voorgaande eeuwen ook wel uit hun doppen konden kijken.

Vlietstra citeert een heruitgave uit 1978, die bij Kool in destijds Veenendaal is verschenen – en op een wat verwarrende wijze verwijst hij ook nog naar de uitgave die voor het eerst in 1982 bij Den Hertog in Houten verscheen en waarvan trouwens in 2003 nog een vijfde druk uitkwam – en citeert wat passages uit het boek, waarvan hij inderdaad zegt dat het ‘beslist nog niet uit de tijd’ is, ‘het is zelfs zeer lezenswaardig.’ Het gaat dan vervolgens over een onderdeel uit de opvoeding van zes- tot twaalfjarigen en wel het onderdeel kastijding.

‘Laat uw kastijdingen het rebelse tegenstreven overwinnen zodat u dadelijk verkrijgt wat u gebiedt, namelijk vergeving te vragen of te bewijzen hetgeen zij gemakkelijk kunnen doen. Anders ware het beter de kastijding niet te beginnen. Laat uw kastijdingen godsdienstig geschieden. Gebruik ze als Gods instelling.’

Koelman voegt toe dat ouders veel moeten vergeven en zeker niet te snel boos moeten worden om kleinigheden:

‘Laat in het kastijden altijd de teerheid van uw liefde zien en hoe onwillig u bent om hen te kastijden indien zij langs een lichtere weg verbeterd konden worden..’

-

Kastijden
Er ontstond wat discussie over wat Koelman met dat kastijden bedoelde – zie ook het verder uitstekende stukje van Kees Vreeken -, maar het lijkt me helder dat hij wel degelijk op lichamelijke tuchtiging doelde. Dat blijkt alleen al uit deze woorden:

‘Als u bestraft of kastijdt, gebruikt dan geen smaad- of scheldwoorden, bijnamen of uitdrukkingen. Werpt hun niets na dat hun leven, hun leden of gezondheid in gevaar zou brengen. Dit verwekt de kinderen tot oneerbiedigheid en kleinachting van hun ouders.’

Daar staat mijns inziens helder dat je kinderen geen geestelijke schade mag toebrengen, maar ook dat je hun lichamelijke gezondheid niet in gevaar mag brengen door met dingen te smijten en dat impliceert volgens mij, dat hij wel degelijk – ook, niet uitsluitend – op lijfstraffen doelde: waarom zou hij het anders zo fysiek formuleren? Maar zelfs als men dat er niet in leest, dan nog: iets anders is in zijn tijd ook nauwelijks denkbaar. Ik kijk nu alleen even na wat Rudolf Dekker in Uit de schaduw in ’t grote licht. Kinderen in egodocumenten van de Gouden Eeuw tot de Romantiek (1995) in het hoofdstuk over ‘Boemannen en lijfstraffen’ schreef. Tegen kinderen schrik aanjagen, keerden velen zich, ook de bekende staatsman Jacob Cats (1577-1660) al, die gelijk bekend naast zijn politieke carrière zich ook een naam als dichter verwierf, maar lijfstraffen werden als een normaal onderdeel van de opvoeding gezien. ‘Die wel bemint, kastijt sijn kint’, scheef Cats. En de etser en schrijver Jan Luyken (1649-1712), die – ik vertel het er maar bij voor wie dat niet weet (tegenwoordig is van alles mogelijk) – trouwens doopsgezind was, gaat er in zijn Des menschen begin, midden en einde (1712) vanzelfsprekend vanuit dat het gebruik van de roede – het plaatje waarin een moeder haar dochter met dat voorwerp benadert, gaat hierbij – bij een goede opvoeding behoort:

‘t Is beter dat de Vriendschap slaat,
Als dat de Vyand vriend’lyk praat.
Als ‘t Kindje stout is, moet het lyden,
Dat hem zyn Ouderen kastyden,
Doch dat geschied hem niet uit haat;
Gelyk het oude kind moet draagen,
Des Heeren hand van liefde slagen,
Op dat het niet verderft in ‘t quaad.’

Men ziet, de boodschap is dezelfde als bij Koelman: bestraffing is een uiting van liefde, voor bestwil van het kind. Wel merkt Dekker op dat slaan in bijvoorbeeld Engeland een veel belangrijkere plaats in de opvoeding innam dan in Nederland. De filosoof John Locke (1732-1704) vond het bijvoorbeeld beter om het slaan aan een knecht over te laten. Dat was ook in toenmalige Nederlandse ogen wel erg hardvochtig. We weten allemaal dat pas recent – tussen 1987 en 2003, zag ik – na het rietje (cane) ook andere lijfstraffen op alle scholen in alle delen van het Verenigde Koninkrijk definitief zijn afgeschaft. Dezer dagen herinneren we ons allen hoe Jan Schenkman (1806-1863) in zijn bekende Sint Nikolaas en zijn knecht uit 1850 – ik citeer een latere versie omdat van de eerste druk alleen een incompleet exemplaar is overgeleverd – de knecht van de goedheiligman vanaf de naderende stoomboot de kinderen alvast lachend toe liet roepen:

‘Wie zoet was, krijgt lekkers;
Wie stout was, een roê.’

Die woorden begreep men toen nog wel. Ook in het strafrecht was de lijfstraf in de vroegmoderne tijd een bekend onderdeel. In de loop van de achttiende eeuw kwam De nieuwe menslievendheid op, zoals Sjoerd Faber het in de ondertitel van zijn proefschrift uit 1983 typeerde. Als je aan de nieuwe fijngevoeligheid, die door historici trouwens even vaak aan de gevoelens bij de uitvoerders – het is zo onprettig om je tere handjes aan vuil te maken – als een medelijden met de veroordeelden of verdachten wordt toegeschreven, per se een etiketje mee wilt geven, kun je trouwens net zo goed op de Romantiek als op de Verlichting, die een tijdlang gelijk opgingen, wijzen. We moeten nooit vergeten dat de gevangenisstraf – een straf, die veel voorzieningen vergt en hoge kosten met zich meebrengt – pas een eeuw of twee in zwang is. Het was trouwens een straf die vaak veel ernstiger geestelijke mishandeling inhield, met name door de eenzame opsluiting, waar pas na de laatste oorlog werkelijk een eind aankwam, zoals lezers van het criminologisch oeuvre van Herman Franke zich zullen herinneren.

-

Vlietstra
Hoe het ook zij, Koelman kan niet anders dan op lichamelijke tuchtinging gedoeld hebben. De vraag is alleen of Vlietstra daar ook aan dacht. In een reactie in het Reformatorisch Dagblad zegt hij dat hij ‘al enkele jaren met regelmaat’ uit het werkje van Jacobus Koelman citeert. Het lijkt mij een weinig persoonlijke wijze om ouders geluk te wensen met de komst van een boreling, maar enfin.

‘Van enigerlei suggestie tot het aanzetten tot lijfstraffen of tot kindermishandeling in welke vorm ook distantieer ik mij ten enenmale.’

Ik denk dat we Vlietstra maar op zijn woord moeten geloven. Al zijn lichamelijke straffen vandaag de dag uit en is zelfs de corrigerende tik – volgens mij trouwens iets anders – sinds 2007, onder het bewind van Piet Hein Donner, verboden, nog steeds straffen ouders kun kinderen wel, al is het maar door ze het toetje te onthouden als ze hun bord niet keurig leeg eten of te vaak van tafel weglopen, of door ze, zoals de ethicus Theo Boer twitterde, hun Nintendo DS voor een dag te ontzeggen – ik zou trouwens niet weten waarom. Ik zie trouwens op straat moeders – ja, het zijn altijd moeders – nog wel eens een tik uitdelen, waarvan ik me soms afvraag of die nu wel nodig is, maar ik heb dan misschien ook niet gezien hoelang het kind met zijn gedrens hen al getergd had. Maar het is dus goed mogelijk dat Vlietstra bij kastijden primair aan hedendaagse vormen van bestraffing dacht, als hij al ergens aan dacht en niet vooral en nogal ritueel een oude vrome tekst citeerde.

Het lijkt me tevens helder dat het niet bij voorbaat uitgesloten is dat sommigen zijner lezers wel degelijk kunnen denken dat een flink pak slaag op de broek soms zo gek nog niet is. Het is iets waar kennelijk veel Nederlanders nog zo over denken. Het lijkt me overigens ook helder dat zoiets uit de hand kan lopen en dat citaten als die van Vliestra wel degelijk het gevaar in zich herbergen ouders een legitimatie voor te verregaand lichamelijk geweld te verschaffen, ook al wordt dat ook door Koelman met zijn nadruk op de liefde nadrukkelijk afgekeurd, en kan werkelijk niemand met droge ogen beweren dat zijn teksten tot mishandeling oproepen.

-

Hedendaagse morele opwinding
Tot zover Koelman, de historische context en Vlietstra, nu de reacties. Het is duidelijk dat het berichtje uit het Leidsch Dagblad kwaadaardig broddelwerk is. Enkele fouten heb ik al laten zien en het is ook helder dat de conclusie dat het hier om een ‘vrijbrief voor het gebruik van geweld’ gaat, op zijn minst voorbarig is. Ook is het merkwaardig dat men minstens drie instanties – het Nederland Jeugdinstituut, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en de stichting Defence for Children – benaderd heeft, maar kennelijk heeft nagelaten om Vlietstra even te vragen wat hij nu bedoelde (tenzij het grotere artikel in de krant, dat ik niet kan zien, daar wel iets over zegt). Het Openbaar Ministerie heeft overigens al laten weten niet dol te zijn op zulke teksten, maar er geen aanleiding in te zien om tot vervolging over te gaan.

Wie op Twitter ‘Vlietstra’ invult, kan onmiddellijk zien, al moet hij nu misschien iets verder naar beneden scrollen, hoe moreel Nederland op de man losging. Jan en alleman ging er maar voetstoots vanuit dat hij had opgeroepen tot slaan. Sommigen meenden zelfs zonder blikken of blozen te mogen schrijven dat de man tot kindermishandeling had opgeroepen. Alsof zelfs een fysieke opvatting van kastijding al hetzelfde als mishandelen zou zijn. En de scheldwoorden waren uiteraard niet van de lucht. Ik ga niet al te veel citeren, maar ‘reli-idioot’, ‘flapdrol’, ‘onbenul’ en ‘mesjokke’ kwam ik zo al tegen en ik heb in de loop van de dag gisteren van alles gezien. En natuurlijk kwamen ook de taliban en de sharia weer op de proppen. En dan heb je ook nog de voorlijke tiepjes die op komen merken dat we al in 2011 – ja echt, 2011! – leven en die deze diepe wijsheid gratis en voor niks met de wereld delen. Wat me vooral opviel, was dat allerlei theologen, niet immer het dapperste slag volk als je het mij vraagt, zich onmiddellijk weer begon te distantiëren. In dat opzicht was het optreden van de protestantse hoogleraar Jan Hoek, die zelf in Katwijk is opgegroeid – ook hij komt even in het boek Van Deursen voor – in het NOS-journaal tenminste een ware verfrissing. Hij merkte trouwens op dat men in Katwijk de kinderen eerder nogal veel ruimte laat. Wie het boek van Van Deursen heeft gelezen, zal die indruk al gehad hebben. Het is een op het natuurlijke en lichamelijke gerichte samenleving – voetbal, voetbal, voetbal en ontelbare andere sporten -, waar een beetje uit de band springen er nu eenmaal bij hoort. (Bij de doopsgezinde en dus oneindig veel strengere Amish is dat zelfs een institutie: het rumspringa.) In een dergelijke samenleving bestaat altijd een zekere spanning tussen de vrome woorden en het natuurlijke handelen en beide horen op een vreemde, dialectische wijze waar moeilijk de vinger achter te krijgen valt, bij elkaar.

De meest dwaze reactie kwam wel van het PvdA-Kamerlid Khadija Arib, die onmiddellijk aankondigde hier Kamervragen over te gaan stellen. Op het moment dat ik dit stukje schreef en plaatste, kon ik die vragen nog niet volledig vinden. Ze stonden nog niet op de officiële daartoe ingerichte sites, maar al wel op Nieuwsbank waar ik alleen de eerste twee vragen kon lezen. Ik citeer.

‘1. Hebt u kennisgenomen van het bericht “Nieuwsbrief Katwijkse dominee: Tegendraads kind slaan is goed” (Leidsch Dagblad, 14-11-2011)?
2. Bent u ervan op de hoogte dat deze dominee zelfs oproept tot mishandeling van kinderen? Zo ja, wat vindt u ervan? Hoe classificeert u deze uitlatingen?’

Hoewel ze nog steeds niet op Aribs eigen site staan, zijn ze dinsdagmiddag 15 november tegen één uur wel volledig verschenen op Officiële bekendmakingen en op Ikregeer. Wie wie wil, kan daar de volledige set nalezen. De indruk die de eerste twee vragen nalaten, is voorlopig ook wel genoeg. Het eerste dat we kunnen constateren, is dat mevrouw aartslui is. Ze citeert wel het dubieuze bericht uit het Leidsch Dagblad, maar vond het kennelijk niet nodig even naar de originele bron te verwijzen. Het tweede is dat ze schrijft dat ‘deze dominee zelfs oproept tot mishandeling van kinderen’, alsof dat een vaststaand feit is. En vervolgens hutselt ze alles door elkaar. Zullen we eens heel erg mild zijn? Flauwekul dus. En dat zou ze kunnen weten, maar zou ze het willen weten? Ze eindigt trouwens, dat moet ik werkelijk even citeren, met de fantastische uitsmijter:

‘Wat gaat u concreet ondernemen om deze dominee te stoppen?’

Met andere woorden, mevrouw heeft helemaal geen vragen – waarom zou je ook? -, mevrouw weet het allemaal al.

-

Vijf opmerkingen
1. Dan nu mijn commentaar. Eerst Vlietstra maar. Moeten we veel medelijden met hem hebben? Nee, dat ook weer niet, denk ik. Je moet iemand recht doen en niet iemand van een oproep tot mishandeling beschuldigen, als je niet zeker weet dat hij die ook gedaan heeft en dat is zelfs niet het geval als hij wel degelijk aan lijfelijke kastijding dacht, maar dat Vlietstra niet de kans wil aangrijpen om bijvoorbeeld voor het NOS-journaal toe te lichten, wat hij echt bedoelde, pleit ook weer niet voor hem. We leven in een nationale communicatiegemeenschap waarin iedereen binnen een mum van tijd van andermans woorden op de hoogte kan raken en daar zul je maar aan moeten wennen. Staat hij ook echt voor wat hij schrijft? Valt een houding waarbij de woorden alleen voor de eigen gemeenschap begrijpelijk zijn, vol te houden? Zou hij er zich ook niet rekenschap van moeten geven hoe mensen dergelijke woorden opvatten en dat er ook het gevaar tot verkeerde toepassing in schuilt? Iets minder citeren en wat meer verklaren, was toch wel het minste geweest. (Maar laat ik maar toegeven dat alles wat ik in de loop der jaren over de man gehoord heb, nou niet bepaald… nou ja, u weet het wel.)

2. Dan de vele reacties van lieden die meenden in hun morele verhevenheid meteen maar allerlei scheldkanonnades op de man los te mogen laten. Ik word daar veel misselijker van dan van zelfs de meest onwelwillende interpretatie van Vliestra’s stukje. Hoe rijmen mensen een beleden afkeer van lichamelijke bestraffing van kinderen met eigen verbaal gedrag dat alle grenzen van goed fatsoen overschrijdt? We leven een haat- en scheldcultuur, maar ik moet zeggen dat ik er nog steeds niet aan gewend ben en er ook niet aan wens te wennen. Schelden kan echt heel wat meer schade toebrengen. Lieden die over sharia of taliban beginnen, zou ik in levende lijve niet graag tegenkomen. Voor hun opvoedingskwaliteiten ben ik nog veel huiveriger.

3. Arib hoort hier ook bij. Haar vragen zijn een duidelijk teken dat Job Cohen, die in zijn Amsterdamse jaren – zie zijn bundel Binden (2009), waar ik nogal van onder de indruk was –, werkelijk fraaie toespraken hield en die als Meester Fatsoen de landelijke politiek (opnieuw) betrad – tactisch trouwens niet handig, maar dat is een andere zaak -, zijn fractie niet in de hand heeft. Arib mist het elementaire fatsoen dat je van een Kamerlid mag verwachten. Ze zal heel wat goede daden moeten verrichten voor ik haar weer serieus neem (ik heb haar vroeger nogal eens geprezen en ik geloof dat ik daar getuigen voor kan vinden). Zoals een zekere populistische partij de moslims heeft om eens lekker op los te gaan, zo hebben lieden die zichzelf – joost mag weten waarom – progressief wanen, de bevindelijk gereformeerden en trouwens ook de roomsen en de paus om even lekker naar uit te halen. Merk overigens op dat Aribs dwaze vragen een teken zijn voor het lage niveau dat in de hedendaagse Tweede Kamer helaas schering en inslag is geworden. Wie even rondkijkt in de overzichten met Kamervragen ziet het immense geneuzel.

4. Een vierde opmerking betreft dan de pers. Je zou kunnen zeggen dat een ongelukje bij zo’n Leidsch Dagblad een keer kan voorkomen. Maar dat de volgende dag dan zo ongeveer de ganse pers dat ene berichtje kritiekloos nakwekt, dat is een verontrustende zaak. Telkens weer zie je de laatste jaren van dit soort op verdraaiingen gebaseerde hypes. Er zal echt eens aan kritisch zelfonderzoek gedaan moeten worden. Zo kan het echt niet langer. Terwijl ik dit zit te tikken, hoor ik Pieter Jan Hagens in een herhaling van EénVandaag zaken over de dominee beweren – iets met mishandeling weer -, waarvan hij op het moment van eerste uitzending al lang en breed kon weten dat die ze ontkende. Op Kattuk.nl staat zelfs een overzicht van op dit moment een stuk of zeven tv-items over het belangwekkende onderwerp. Het dagblad Trouw – de enige krant waar ik nog op geabonneerd ben, sinds ik de NRC opgezegd heb, maar hoe lang nog? – bestond het zelfs om iemand een stukje met allerlei associatieve flauwekul in elkaar te laten flansen. Ik zou bijna zeggen dat iemand daar een flinke draai om de oren verdient, maar ik besef dat zoiets dezer dagen slecht valt. Een halve dag in de hoek dan maar en vijf dagen naar huis om zich flink op de zonden te bezinnen.

5. Een laatste opmerking is dan nog dat historisch en antropologisch inzicht maatschappelijk soms wel erg afwezig is. Als je echt nog nooit van Koelman hebt gehoord – dergelijke wereldvreemdheid bestaat -, als je niks afweet van de menselijke omgang met kinderen, van zo niet universele dan toch wel wijdverbreide opvoedingsidealen, hoe kun je dan je eigen tijd nog begrijpen? Hoe kun je dan de huidige opvattingen nog begrijpen en binnen een wijdere context plaatsen? Ik vraag me wel eens af hoe een mensenleven eruit ziet waarin men zelden tot voor 1900 terugdenkt, maar op een dag als gisteren vroeg ik me af of sommige mensen nog wel in staat zijn om zelfs maar tien of veertig jaar terug te kijken. Of een eindje over de grens, een paar grenzen misschien, te kijken. Het is alsof sommigen alleen bij de waan van de dag en de waan van hun kleine plekje op aarde leven. Ik moet even aan een boektitel van W.F. Hermans denken, die ik maar niet noemen zal.

-

Iets goeds?
Zit er dan ook niet wat goeds in de discussie? Toch wel denk ik, al breng ik dat met een zekere behoedzaamheid naar voren. Deze discussie is opnieuw een teken dat de hele nationale gemeenschap met elkaar in gesprek is. Ondanks de ruwheid en onbeschoftheid is het ook een teken dat mensen een oprechte afkeer van lichamelijk geweld hebben. Het verbod op de corrigerende tik is er niet gekomen omdat mensen tegen elke draai om de oren zijn, dat zijn ze namelijk niet, maar omdat gebleken is dat het al gauw uit de hand loopt. Al te veel kinderen zijn mishandeld. En daarom is de norm ook zo streng geworden. Ook al is de wijze waarop veel mensen menen aan de handhaving daarvan verbaal menen te moeten bijdragen dragen, ongelooflijk hypocriet, ondertussen wordt de strenge norm toch maar weer naar voren gebracht.

Maar daarmee houdt mijn begrip ook wel op. De afkeer van lichamelijk geweld tegen kinderen mag dan mooi zijn, ik ben er niet gerust op. Ik ben er niet zeker van in hoeverre mensen er echt van overtuigd zijn. Als ze echt meenden over een stevig verankerde norm te beschikken, zouden ze niet zo hard hoeven te schreeuwen om te tonen hoe verschrikkelijk goed zij wel niet zijn en hoe vreselijk slecht en achterlijk die dominee wel niet is. Ik vermoed veel modieus meehuilen met de wolven in het bos. Kuddegedrag, dat is het. Iets te graag wil men laten zien dat men bij de verlichte – ook al zo’n modieuze zelfaanduiding van lieden die zelfs nooit een middag op een zaal met oude drukken hebben doorgebracht en geen flauw benul hebben van wat mensen in de achttiende eeuw echt schreven – voorhoede behoort. Ik vrees dat een dergelijke oppervlakkige stemming maar zo kan omslaan. Als over twintig jaar de communio opinis nu eens is dat we in onze dagen veel te soft waren en dat het maar goed is dat we weer op wat steviger methoden zijn overgegaan, kunnen we er dan zeker van dat diezelfde lieden niet even hard meeschreeuwen met de dan nieuwe mode? Bovendien, kunnen we er gerust op zijn dat al die schreeuwlelijkerds hun kinderen dan misschien wel niet slaan, maar ze niet geestelijk mishandelen? De verbale middelen, zo laten ze de hele wereld gretig weten, hebben ze immers al hoorbaar en leesbaar in hun huis.

Misschien ben ik te wantrouwig. Ik wil best proberen om het goede achter de morele opwinding te zien, maar wil een werkelijk stevige moraal zich vestigen, dan zal er mentaal toch nog heel wat moeten gebeuren. De huidige massale hufterigheid is in ieder geval geen solide fundament, dat weet ik wel zeker. En zelfs bij de meer welwillenden is de zelfgenoegzaamheid me vaak nog net iets te groot om vertrouwen te kunnen inboezemen. Wie een beetje op de hoogte is van de omslag in het strafrechtelijke en morele denken in de achttiende en negentiende eeuw, zal weten hoe velen zich ook toen vanwege hun vooruitstrevende inzichten enorm op de borst klopten en hoever hun daadwerkelijke handelen daar vaak vanaf stond. En dan deden die lui dat nog in heel wat verhevener bewoordingen dan die vandaag de dag en vogue zijn.

Ik vrees dat het nog wel wat tijd zal vergen voor een eenvoudig beroep op de rede zal terugkeren.

-

Aanrader
En overigens zou ik iedereen willen aanraden om het prachtige boek van A.Th. van Deursen, In Katwijk is alles anders. Een christelijke dorp ontmoet de wereld, 1840-2004 (2011) te lezen. Het geeft ook een inzicht in de wonderlijke paradoxen die deze gemeenschap kenmerken. En het is trouwens een boek vol prachtige ironische terzijdes en subtiele citaten. Het is, meer zeg ik niet, een boek met een ziel.

Opmerking: Bovenstaand stukje is op 15 november op enkele kleine onderdelen gewijzigd: met name door enkele kleine toevoegingen aan te brengen. Rond 14.15 is als laatste de passage over de Kamervragen, die ongeveer een uur eerder beschikbaar waren gekomen. gewijzigd en aangevuld.

(25)

14 november 2011

Macht en erkenning

.:.

Macht komt van boven en macht komt van beneden.

Dat is altijd zo geweest en dat zal nooit anders worden. Het is eigen aan macht. Ik heb het dan vooral over politieke macht, macht die als legitiem wordt erkend of aanvaard. Maar het gaat ook op voor andere vormen van erkende machtsuitoefening. En het gaat dan primair om een, zeg, sociologische analyse van hoe macht feitelijk werkt.

-

Bij de presidentsverkiezingen van 7 november 2000 behaalde Albert Arnold Gore 50.999.897 stemmen en George Walker Bush 50.456.002 stemmen. Op 12 december 2000 kwam door een uitspraak van het Hooggerechtshof vast te staan dat Bush de verkiezingen gewonnen had. (foto: Wally Gobetz)

Werking
Bij macht gaat het om het eenzijdige vermogen om iets gedaan te krijgen. Dat is anders dan bij een overeenkomst waarbij twee partijen op voet van gelijkheid iets van elkaar gedaan willen krijgen. Maar ook macht of gezagsuitoefening berust nog steeds op een wederzijdse relatie. Het vermogen om iets gedaan te krijgen is immers afhankelijk van de erkenning of aanvaarding van degenen van wie de machthebber iets gedaan wil krijgen. Als het om overheidsmacht gaat, kan men aan twee vormen van erkenning denken: van degenen die object van die machtsuitoefening zijn en van wie de staat dus iets gedaan wil krijgen, en van degenen die helpen om dat uit te voeren. Legitieme, aanvaarde macht is geen brute uitoefening van kracht, maar berust op erkenning. Zelfs als er geweld aan te pas komt, is dat geweld weer afhankelijk van het luisteren naar woorden of bevelen

Maar als je goed kijkt, is de congruente formulering dan ook wat misleidend. Er komt niet hetzelfde van beneden als wat er van boven komt. Daarom kiezen we ook voor deze ruimtelijke metaforen. Gezag is altijd iets dat hoger staat en wie daaraan gehoorzaamt, heet niet voor niets een ondergeschikte. Ook wie een organogram van een organisatie tekent, zal de leidinggevende altijd boven degenen intekenen aan wie hij leiding geeft, al noemt hij die nog zo braaf medewerkers en zal hij het woord ondergeschikten zorgvuldig vermijden. Wat van boven komt, is de uitoefening van de macht; wat van onderen komt, is de erkenning of de aanvaarding van de macht. Dat is de meer sociologische analyse van hoe macht feitelijk werkt.

-

Bronnen
Er is een andere benadering mogelijk en in feite ook nodig. Dat is de meer rechtsfilosofische vraag waar de macht op gebaseerd is. Wat is de bron van de macht? Waarop berust haar legitimiteit, waar ik hiervoor al stilzwijgend, of eigenlijk niet zo bar stilzwijgend, vanuit ging? De beginzin zal dan vaker als een exclusieve disjuncte opgevat worden: macht komt van boven óf macht komt van beneden. In zijn beschrijving van het middeleeuwse politieke denken noemde Walter Ullmann – in Medieval Political Thought (oorspronkelijk 1965, herzien 1970, onder deze titel vanaf 1975) – dit de descending en de ascending theory of government and law, of in typeringen die buiten de context van een geleerde studie heden misschien wat minder goed overkomen, de theocratische en de populistische opvatting van regeermacht.

In de eerste opvatting, de theorie van de afdalende macht, waarin de macht van boven naar beneden neerdaalt, komt alle macht uiteindelijk van een opperwezen, van God, of in andere samenlevingen, van de goden. De afkondiging van wetten begint nog steeds met de formule: ‘Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.’. In de tweede opvatting, de theorie van de opstijgende macht, waarin de macht van beneden naar boven opklimt, komt alle macht uiteindelijk van het volk of de gemeenschap. Dat was de oude Germaanse opvatting: de aanvoerders in de oorlogen, de hertogen of koningen werden door de verzamelde strijders in een vergadering gekozen. We weten allemaal nog dat de Romeinse keizers, wier gezag zich over de hele Latijnse christenheid pretendeerde uit te strekken en waarvan de laatste op 6 augustus 1806 de kroon neerlegde, gekozen werden, al was het aantal kiezers nogal beperkt.

-

Om d’ondersaten wille
Het is de vraag of beide opvattingen elkaar wel uitsluiten. Neem nu alleen de beginregels van het befaamde Plakkaat van Verlatinghe, waarin een aantal in de algemene staten verenigde gewesten in 1581 besloten om de ‘Coninc van Spaegnien’ – dat was een pragmatische verzameltitel, er bestond uiteraard geen land dat Spanje heette, en in hun gewesten was hij gewoon hertog of graaf of zo – van ‘zijne heerschapye, gerechticheyt ende erffenisse’ in hun landen vervallen te verklaren. De eerste zin begint zo:

‘Alsoo een yegelick kennelick is, dat een Prince van den lande van Godt gestelt is hooft over zijne ondersaten’

Dat is duidelijk de afdalende theorie, zou je zeggen: God heeft de vorst als hoofd over zijn onderdanen aangesteld. Maar ik moest het citaat wel haastig afbreken om dat te kunnen benadrukken, want de zin gaat zo verder:

‘om deselve te bewaren ende beschermen van alle ongelijk, overlast ende ghewelt gelijck een herder tot bewaernisse van zijne schapen.’

Kortom, de macht mag dan van boven gegeven zijn, ze is niet onbeperkt, maar met een bepaald doel geschonken: om de onderdanen te beschermen tegen onrecht en geweld. In de volgende volzin wordt dat goed uitgewerkt:

‘En dat d’ondersaten niet en sijn van Godt geschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hy beveelt, weder het goddelick of ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanig te wesen en als slaven te dienen: maer den Prince om d’ondersaten wille, sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set om deslve te bewaren.’

Kortom, de vorst is er niet alleen ter wille van de onderdanen, maar zonder hen is hij zelfs geen vorst. Dat gaat wel heel ver in de richting van de opstijgende theorie. Ik ga het document nu niet verder volgen, maar het betoog komt er op neer, dat de in de overkoepelende, generale staten verzamelde vertegenwoordigers van de verenigde landen zich bevoegd achten om hun vorst op zijn functioneren te beoordelen en kunnen besluiten om hem af te zetten, wat ze dan ook prompt doen.

-

Twee en drie elementen
Het lijkt me de vraag of de indeling van Ullmann uiteindelijk wel klopt. Er is namelijk een opvallende incongruentie tussen de feitelijke werking van macht zoals ik die eerst kort typeerde, en zijn indeling van de bron van de macht, de oorsprong van de legitimiteit. Schematisch valt dat makkelijk weer te geven. Dit is de sociologische analyse:

Boven: regeringsmacht
Beneden: aanvaarding

Twee elementen, die een wederkerige, zij het ongelijke, relatie onderhouden. Maar als we nu de politiek-filosofische indeling van Ullmann op een gelijksoortige wijze proberen weer te geven, zien we dit:

Boven: God
Regeringsmacht
Beneden: volk of gemeenschap

Drie elementen dus, waarvan twee elkaar in sommige opvattingen uitsluiten. En hier slechts een eenzijdige relatie, van beneden naar het midden of van boven naar datzelfde midden. Het idee is dat de wettelijke regeringsmacht niet sui generis is, maar haar basis elders vindt, buiten zichzelf. Ik gebruikte nu trouwens een woord dat eigenlijk alleen een fundering – verdorie, heb je alweer zo’n woord – van beneden af toelaat. De term grondwet – let op: grond, dat is wat je onder je voeten hebt – is er ook al eentje. Maar er zijn ruimtelijke metaforen die juist verder naar boven verwijzen, boven zelf uiteraard, allerlei varianten met hoog en hoger ook.

Het lijkt me vooral de vraag of de indeling van Ullmann wel consistent is. Heeft hij het niet over twee verschillende dingen? Als een vorst gekozen wordt, dan is de feitelijke oorsprong van zijn macht duidelijk. Op die en die dag werd hij door die en die krijgslieden of lagere vorsten of de volksgemeenschap gekozen. Maar is de principiële legitimering van zijn macht niet iets anders? Niemand, ook in de middeleeuwen niet, zal zich namelijk een situatie voorstellen waarin God door middel van een stem uit de hemel een nieuwe heerser aanwijst. Kortom hij heeft het over twee verschillende situaties of uitdrukkingswijzen. Je kunt bijvoorbeeld heel consistent beweren dat juist door de keuze door het volk of een kiescollege blijkt dat een vorst door God voor zijn taak is uitverkoren. En ook zonder dat er concrete verkiezingen zijn, kun je toch volhouden dat de macht zijn legitimatie in het volk vindt en er voor het volk is. Het is een opvatting die oude wortels heeft.

-

Democratie en legitimatie
De vraag is vooral hoe werking, oorsprong en legitimatie van macht zich tot elkaar verhouden. Kunnen we beide bovenstaande schemaatjes in elkaar schuiven?

Als macht per definitie een ongelijke relatie veronderstelt en in haar werking op aanvaarding of erkenning gebaseerd is, kan dan macht tegelijk van onderen op gelegitimeerd zijn en gebaseerd zijn op zoiets als de volkswil? Is dat niet innerlijk tegenstrijdig? Kunnen mensen macht erkennen die juist bij henzelf vandaan komt? Moet macht om te overtuigen en erkenning te verkrijgen, juist niet op een hogere komaf kunnen bogen? Dat zijn vragen die juist in de democratie, het tamelijk recente politieke systeem – vrijwel nergens is het ouder dan een eeuw, ook in Nederland niet – waarbij machts- en elitevorming plaatsvindt onder erkenning van gelijke politieke rechten, urgent worden.

Het is in ieder geval duidelijk dat de legitimiteit van de macht niet op de act van het kiezen als zodanig is gebaseerd. De meeste Amerikanen, ruim driekwart van de bevolking, hebben nooit op Barack Obama gestemd en toch zullen ze moeten erkennen, ook als ze hem niet mogen, dat hij hun rechtmatige president is. En ook als dat niet over hun lippen wil komen, zit er toch niets anders op dan om zich er nu eenmaal bij neer te leggen. In Nederland en vele systemen kiezen we de leden van het bestuur niet, maar het is natuurlijk niet zo dat Mark Rutte alleen maar de minister-president is van degenen die hun stem op hem uitbrachten – voor een andere functie dan dus ook nog. De leden van de Tweede Kamer vertegenwoordigen het hele volk en niet alleen hun partij of hun specifieke kiezers of zelfs maar degenen die de moeite hebben gedaan naar de stembus te komen. Nee, ze representeren ook die ruim drie miljoen mensen die op 9 juni 2010 wel opgeroepen waren, maar niet kwamen opdagen, of de ruim vier miljoen Nederlanders, die niet mochten stemmen, met name omdat ze daarvoor nog te jong waren.

Juist in een democratie is de opvatting dat de legitimatie van de macht van onderop komt, problematisch. Verkiezingen hebben de neiging de legitimiteit van de verkozenen te ondergraven, omdat velen juist op een ander gestemd hebben. Daarom zijn verkiezingen voor een enkel ambt – burgemeester, president – vaak ook niet gelukkig, omdat ze de drager vanaf het begin op achterstand plaatsen. Voor grotere gremia werken ze beter, omdat dan vele mensen naast elkaar gekozen worden en de kiezer dus veel eerder al een zekere winst heeft binnengehaald. Wie bij de afgelopen verkiezingen tegen de 63 duizend Nederlanders aan zijn zijde had, had al iets gewonnen. Maar de bijna 60 miljoen Amerikanen die op 4 november 2008 op John McCain stemden, stonden vervolgens met lege handen. De legitimatie komt dan ook niet vanuit de handeling van het stemmen, maar vanuit de aanvaarding van het systeem. Als de wet gevolgd wordt, die ook het volk een zekere invloed verschaft, dan is de macht gelegitimeerd.

-

Altijd van boven
Kortom, de legitimatie komt niet van beneden, maar van boven. Ook het bestuur, ook de overheidsmachten, zijn onderworpen aan de wet en in het volgen van de wet ligt de legitimatie. De vraag is dan alleen waar je die wet in beide schemaatjes moet situeren. Staat de wet boven het bestuur? Of kun je zeggen dat de wet in feite de regeling van de regeringsmacht op hetzelfde niveau is, te meer daar die wet ook steeds weer door daartoe bevoegde instanties – regering en volksvertegenwoordiging samen in Nederland – gewijzigd kan worden?

Uiteindelijk doet het er misschien ook niet zoveel toe. Gezag en macht komen nu eenmaal van boven en in zekere zin is het dan logisch om de legitimatie nog weer verder van boven te laten komen. Het valt zo in ieder geval wel in te zien waar het idee dat de macht van God komt, vandaan komt. Het gaat niet alleen om een verhaal dat moet verklaren waarom sommigen – vroeger vorsten van vlees en bloed, nu vooral instituties die door steeds weer anderen bemenst worden – meer macht hebben dan anderen, het gaan tegelijk ook om normering en beperking. Dat is ook het idee van het Plakkaat van Verlatinghe: macht is met een bepaald doel gegeven en aan de hand van dat doel beoordeelbaar. Dat eerste is ook precies wat Paulus van Tarsus in zijn bekende Brief aan de Romeinen vaststelde, al liet hij het tweede in het midden. Het is niet voor niets dat het recht altijd met goddelijkheid omgeven is: het bevat namelijk een hogere norm.

Een bekend theoloog heeft ooit de formule gemunt dat alle spreken over boven van beneden komt, ‘ook de uitspraak dat iets van boven komt’, maar alle spreken dat van boven zegt te komen, komt vooral vanuit het verleden. Het is er al. Het gezag is – als zich recent geen omwentelingen hebben voorgedaan – gemeenlijk al gevestigd. Als het om macht en gezag gaat, is de ervaring wel degelijk dat er iets van boven komt, ook al weten we heel goed hoe dat systeem door mensen van gelijke beweging als wij is geschapen en in stand wordt gehouden. Het juridisch systeem is als vele sociale systeem meer dan de deelnemers en is vaak ook een langer leven beschoren. Het is meer dan de samenstellende delen en komt daarom in de menselijke ervaring van boven.

-

Legitimiteit en beoordeling
Ik denk eigenlijk dat het schema van Ullmann niet voldoet. De legitimatie van de macht komt niet van beneden, maar ook niet per se verder van boven. De legitimatie komt vooral vanuit het verleden. De macht is er al en als ze goed werkt, heeft ze erkenning weten te verkrijgen. Bij deze opvatting kunnen we ook de contingentie aanvaarden. Het ene land heeft een net iets ander systeem dan het andere en je kunt niet op voorhand zeggen dat het ene beter is dan het andere. Al die systemen zijn historisch gegroeid en worden steeds weer aangepast. Ze hadden ook anders kunnen zijn, maar zoals ze nu eenmaal zijn, zijn ze aanvaard.

Kortom, ik denk dat we bij de rechtsfilosofische vraag naar de legitimatie van de macht aan moeten sluiten bij de sociologische analyse van hoe macht werkt. Macht komt van boven en niet van beneden en in een democratie is die vaststelling belangrijker dan ooit: het is de wet, het is het systeem, het is niet de handeling van het kiezen, die de politieke macht legitimeert. Niet de verkiezingen zelf verschaffen legitimatie, wel het gegeven dat ze volgens de regels worden gehouden. Maar als machtsuitoefening berust op feitelijke aanvaarding en erkenning, veronderstelt dat ook een maatstaf. De macht kan ook tekort schieten, zoals het Plakkaat van Verlatinghe al vaststelde: als ze recht doet verkeren in onrecht, als ze onderdrukking in de plaats van bescherming stelt. Kortom, de bron van de macht ligt niet beneden, de beoordeling van de macht ligt daar nadrukkelijk wel. Ik kan dus nu met een betere formule eindigen.

Macht komt van boven, de erkenning en beoordeling komen van beneden.

(24)

11 november 2011

Verdwijnt het politieke midden? En wat was dat dan?

.:.

Geschiedenis is als was in onze handen. Zelfs als alle feiten kloppen, kunnen we dezelfde gebeurtenissen en ontwikkelingen toch steeds weer vanuit een ander perspectief ordenen.

-

Drie stromingen
Zo is er de afgelopen decennia vaak betoogd dat Nederland vanouds drie politieke hoofdrichtingen kent. Ik hoef alleen maar even naar de boekenkast te lopen en er een paar titels uit te wurmen om die stelling te illustreren. Hier, De ideologische driehoek. Nederlandse politiek in historisch perspectief, waarin Jos de Beus, Jacques van Doorn en Piet de Rooy respectievelijk de liberalen (‘oorsprong en wederkeer’), de confessionelen (‘onvermijdelijke presentie’) en de sociaaldemocraten (‘passie voor politiek’) onder handen nemen. Kenners zullen onmiddellijk vastgesteld hebben dat ik de herziene tweede druk uit 1994 op mijn schrijftafel heb liggen. In de eerste druk uit 1989 was het Percy B. Lehning die de socialisten onder de loep nam. En ik ontdek pas nu dat boek teruggaat op de bijdragen van het drietal aan het boek De interventiestaat. Tradities, ervaringen, reacties dat De Beus en Van Doorn in 1984 redigeerden (en dat er in de stapel pal onder bleek te liggen – ik zei toch al dat ik even wrikken moest). Merk trouwens op hoe de socialisten van Lehning uit 1984 en 1989 door De Rooy in 1994 in sociaaldemocraten werden omgetoverd.

Wie brede rivieren traag door oneindig laagland ziet gaan, zal zich waarschijnlijk in Gelderland bevinden. Hier de Waal bij Bemmel, de middelste van de grote rivieren die het driestromenland van het oude Gelderse kwartier van Nijmegen bepalen. (foto: Puntlicht)

En hier nog zo’n titel, Driestromenland, een boekje dat in 1993 werd uitgegeven door Stichting Burgerschapskunde, die later opging in het Instituut voor Publiek en Politiek, dat op zijn beurt inmiddels weer bij ProDemos onder dak is gebracht, en waarin Paul Lucardie, Maarten Brinkman en Dick Kuiper respectievelijk – ik voeg nu de ondertitel toe – Liberalisme, socialisme en christen-democratie in Nederland beschrijven. Het gaat om drie historische overzichten: de heren beginnen hun relaas allemaal in de negentiende eeuw en soms zeggen ze ook nog wat over de voorgaande eeuwen.

-

Een nieuwe stroming en een nieuwe indeling
De kneedbaarheid van de geschiedenis is voor wie bepaalde traditionele criteria aanlegt – waarheid, werkelijkheidszin bijvoorbeeld – ook weer niet oneindig. Hoe begrijpelijk de driedeling ook is, in feite balanceert ze op het randje van geschiedvervalsing. En als we het woord dat de titel van het laatstgenoemde boekje vormt, in Picarta intikken, zien we ook meteen waarom. De oudste vermelding stamt uit 1977; het gaat om een artikel van Bert Middel, later PvdA-Kamerlid, in het decembernummer van Intermediair, getiteld ‘Driestromenland in de Nederlandse politiek. Vernieuwing, stabilisatie of restauratie in ons partijstelsel?’ en pal daarop – althans in de catalogus – volgt een stuk van september 1978 van Pieter Kooijmans, die toen net vier jaar staatssecretaris van buitenlandse zaken was geweest en later nog eens minister op dat departement zou worden, in het antirevolutionaire tijdschrift Nederlandse gedachten, geheten ‘Mogelijke ontwikkelingen in driestromenland’. Ook zonder de betogen ingezien te hebben lijkt het me niet zo moeilijk om te raden waarom de auteurs juist toen voor deze typering kozen: omdat dat driestromenland zich net begon af te tekenen. In 1977 had het CDA voor het eerst met één lijst aan de verkiezingen deelgenomen en in 1980 werd de partij officieel opgericht. Er waren nooit drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek geweest. Een nieuwe – of in zekere zin misschien hernieuwde – stroming deed voor het eerst haar intrede: de christendemocratie.

Hoe radicaal nieuw die vanuit een iets langer perspectief gezien was, kun je alleen al door een simpel gedachte-experiment vaststellen. Het ontstaan van die ene fractie en van die ene partij is nu 34 en 31 geleden. Tel vanuit beide jaartallen eens even ver terug. Je komt dan uit in 1943 en 1949, in de oorlog, even na de oorlog dus. Laten we daar tussenin gaan zitten: was er in de tijd net na de Tweede Wereldoorlog ook maar iemand die serieus dacht dat de RKSP maar moest fuseren met de ARP en de CHU of die in feite dacht dat die partijen toch al bijna onverbrekelijk bij elkaar hoorden? Ik denk het niet. Alleen over een mogelijk samengaan tussen de twee genoemde protestantse partijen werd door sommigen wel even gesproken. Maar juist in die dagen bleek dat bijvoorbeeld een deel van de CHU-ers veel dichter bij de sociaaldemocraten stond en die leden gingen dan ook over naar de nieuwe PvdA. Voor de oorlog had men kunnen vaststellen hoe goed liberalen het met de antirevolutionaire premier Hendrik Colijn konden vinden.

-

De late ontdekking van confessionele verwantschap
Hoewel de KVP, die eind 1945 de oude RKSP afloste, zich in principe openstelde voor alle Nederlanders en dus niet vroeg dat men katholiek was, bleef het toch in werkelijkheid de partij van en voor katholieken. De grote, onoverbrugbare scheidslijn was die tussen grote minderheidscultuur van de katholieken en de vanzelfsprekende en daardoor onopvallende meerderheid van protestanten, kerkelijk, onkerks en onkerkelijk, die in allerlei verschillende politieke richtingen uiteen waren gevallen. En lange tijd kon geen van die groepen, wilde ze de macht verkrijgen, om samenwerking met de katholieken heen. In de negentiende eeuw hadden de katholieken eerst even samengewerkt met de liberalen, die de reputatie hebben dat ze kerkelijk vaak vrijzinnig waren, daarna waren ze een monsterverbond met de antirevolutionairen aangegaan, die weliswaar alle sociale lagen bereikten, maar toch een sterke achterban onder de middengroepen hadden, om vervolgens net voor de oorlog een samenwerkingspartner opnieuw een stapje lager op de sociale ladder te zoeken en ook de socialisten, met vooral een aanhang van al dan niet uitgeschreven hervormde arbeiders, bij de uitoefening van de regeringsverantwoordelijkheid te betrekken. Dat verbond met de antirevolutionairen en later ook christelijk-historischen, soms de Coalitie met een hoofdletter geheten, had een praktisch doel gediend – de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs – en was na 1925 – de Nacht van Kersten, ik refereerde er onlangs nog aan – in feite wel ten einde, al bleef men nog samen regeren, zij het vooreerst in een extraparlementair kabinet dat naar toenmalige begrippen bestond uit bewindslieden van ‘rechts’ en (een deel van) ‘links’. Maar niemand zou op het idee komen om de drie belangrijkste confessionele partijen als dragers van één ideologische stroming te zien. Daarvoor waren de verschillen, politiek en cultureel, veel te groot. Daarvoor was men ook bij de vorming van kabinetten te weinig hecht: men haalde er of anderen bij of de twee kleinere deden lang niet altijd mee.

Het is geen toeval dat een boekje waarin de confessionele partijen samen werden beschreven, De Confessionelen, met bijdragen van L.W.G. Scholten, J.A. Bornewasser, I. Schöffer, A.F. Manning en J.L.J. Bosmans, juist in 1968 verscheen. Het waren ‘de huidige ontwikkelingen in het partijenstelsel’, vertelt de eerste zin, die de ‘directe aanleiding’ voor het tot stand komen van dat historische overzicht vormden. En als dit al niet de eerste poging was om de confessionelen sowieso in één kleine geschiedenis samen te nemen, dan was het vast en zeker wel het eerste boek waarin de confessionele partijen vanaf 1918 niet in afzonderlijke hoofdstukken per partij, maar telkens in één kader werden beschreven. De inleiding doelde natuurlijk op de electorale verschuivingen in de jaren zestig en impliciet vooral op het feit dat de vijf toentertijd in de Tweede Kamer vertegenwoordigde confessionele partijen – naast de drie waren en ook nog twee kleinere partijen, SGP en GPV – bij de verkiezingen van 1967 voor het eerst samen onder de helft gedoken waren: 73 zetels. Het verlies – in 1963 waren het er nog 80 geweest – kwam trouwens geheel voor rekening van de KVP. De vier protestantse partijen wonnen samen een zetel: de CHU ging er wel eentje achteruit, van 13 naar 12, maar de ARP won er twee en was met 15 zetels weer net zo groot als in 1956.

De paradox is een beetje dat juist door de deconfessionalisering die aanvankelijk slechts de KVP trof, maar een aantal jaren later ook de CHU bereikte, de nadruk juist meer op het gezamenlijke confessionele karakter van KVP, ARP en CHU kwam te liggen. Toen pas ontdekte men dat er iets gemeenschappelijks was dat bond, en begon de KVP, wier teruggang dramatische vormen aan begon te nemen, aan te dringen op nadere samenwerking, die uiteindelijk gestalte zou krijgen in één partij, die onder een vanouds typisch katholieke vlag zou gaan varen: die van de christendemocratie. Dat was oorspronkelijk de benaming van de meer ‘linkse’, sociaalgerichte katholieke stroming binnen de rooms-katholieke politiek geweest, maar na de oorlog was de Duitse CDU in staat gebleken om het bereik van het katholieke Zentrum uit te breiden naar groepen protestanten. (In bepaalde streken van Duitsland heeft de tweedeling trouwens nog lang geleefd. Ik ben dat wel tegengekomen. Er ist evangelisch, also SPD. Sie ist katholisch, also CDU.)

-

Twee groten en twee kleintjes
Er waren nooit drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek geweest, er waren er altijd minstens vier geweest. Voor de praktische invoering van het representatief en algemeen kiesrecht in 1918 (mannen) en 1922 (ook de vrouwen erbij) kon je nog een zekere tweedeling zien: die tussen links en rechts. Rechts, dat waren dus de confessionele partijen en links de anderen, vooral liberalen en socialisten. Abraham Kuyper had voor die scheidslijn zelfs ooit een naam bedacht, de Antithese, die vooral moest verdoezelen dat hij gemene zaak met de oude aartsvijanden van de calvinisten maakte. In het spraakgebruik zette die levensbeschouwelijke indeling zich zeker tot de oorlog of iets daarna door, maar omdat men nu bij de verkiezingen geen pacten meer hoefde te sluiten, kwam de eigenheid van de verschillende stromingen en vooral van de verschillende partijen – juist groeperingen die dicht bij elkaar staan, hebben nog wel eens de neiging hard naar de nabije geestverwant uit te halen – steeds meer tot uiting.

De vier hoofdrichtingen die men toen kon onderscheiden, bleven tot meer dan een halve eeuw na 1918 bestaan. Maar ze waren niet alle even groot. Je had in feite twee grote partijen: de RKSP/KVP en de SDAP/PvdA. En daarnaast had je de kleinere protestants-christelijke partijen, met ARP en CHU als belangrijkste, en de liberale partijen als LSP, VDB en na de oorlog de VVD. Het kleinere grut laat ik nu even ongenoemd.

Ergens na de oorlog is een nieuwe indeling in links en rechts in zwang geraakt, die vooral uitging van sociaaleconomische criteria. En als je die indeling eens op de indeling van het partijenlandschap sinds 1918 terugprojecteert, dan kom je op een heel aardig schema. Links heb je dan één grote partij, de SDAP en later de PvdA, met kleinere satellieten daarnaast. Ik noem die op de CPN na nu even niet, omdat de meeste eigenlijk pas in het laatste decennium tot volle wasdom zijn gekomen of anders vooral flipfloppend door het leven gingen. Tot rechts kun je dan de antirevolutionairen en christelijk-historischen rekenen, maar ook de liberalen en vrijzinnig-democraten. Met vertegenwoordigers van al deze politieke richtingen regeerde Colijn ook in de jaren dertig en sinds 1918 zaten er vrijwel altijd partijloze liberalen in de kabinetten. En in het midden houd je dan de RKSP en later de KVP over.

(Ik zeg hier meteen maar even bij dat typeringen als links en rechts als materiële zelfaanduiding vaak niet al te veel zeggen en dat ik er in die zin ook een zekere aversie tegen heb. Maar als analytisch instrument kunnen we niet buiten de indeling: ze helpt om partijen ten opzichte van elkaar te situeren en kan in die meer formele zin soms ook uitstekend dienst doen als zelftypering binnen het politieke krachtenveld.)

-

Het katholieke centrum
In feite alleen door haar electorale omvang en aanhang zat de RKSP/KVP al bijna automatisch in het midden. Het was een partij die een complete deelcultuur, met daarin alle lagen van de bevolking, van een grote massa van arbeiders via middenstanders en boeren tot aan een kleine, vooral zuidelijke elite, vertegenwoordigde. De partij was een soort Nederland in het klein, maar dan alleen het katholieke Nederland. De compromissen moesten al binnen de partij gesloten worden. Maar alleen de aanhang maakte een meer sociale koers al noodzakelijk. Het ging om een halve arbeiderspartij; de aanhang had voor een groot deel maatschappelijk veel weg van die andere grote partij, de SDAP en later de PvdA.

Maar ook omdat de partij zo groot was, kon eigenlijk niemand om haar heen. De protestants-christelijke en liberale partijen op rechts bleven ver af van een meerderheid. Op 1933 na toen ze samen precies de helft van de zetels behaalden, 50 dus, hadden RKSP/KVP en SDAP/PvdA vanaf 1918 tot en met 1967 samen altijd een meerderheid in de Tweede Kamer, een Tweede Kamerverkiezing langer dus dan de confessionelen opgeteld over de majoriteit beschikten. Aangezien niet alle partijen op rechts dol waren op socialisten, geeft alleen dat al aan dat ze niet om de katholieke fractie heen konden. En juist omdat de katholieken de arbeiders onder eigen vleugels konden organiseren, kon socialistisch links in Nederland nooit een meerderheid behalen. Als ze wilde regeren, moest ze dus wel aanklampen bij de RKSP en later vooral de KVP. De centrale positie was juist gegeven met het buitenbeentjeskarakter van de grote katholieke minderheid. De naam van de Duitse geestverwant was in Nederland feitelijk nog raker geweest.

Het is dit katholieke midden geweest dat de Nederlandse politiek zo lang beheerst heeft, maar ook de ontwikkeling van de verzorgingsstaat enorm bevorderd heeft. En het is dit midden dat de laatste decennia aan het afbrokkelen is. Laten we dat nog eens iets nauwkeuriger bekijken. (Ik maak daarbij vooral gebruik van gegevens die men vindt op de sites Verkiezingsuitslagen en het onvolprezen Parlement & Politiek.) Voor de oorlog had de feitelijk onmisbare RKSP op 100 Kamerzetels bijna altijd 30, 31 of 32 zetels; alleen in 1933 werden het maar 28. Het stemmenpercentage lag tussen 27,88% (het genoemde 1933) en 32,26% in 1925. Na de oorlog zien we bij de KVP tot aan de verkiezingen van 1963 in feite een voortzetting van het patroon. Alleen in 1952, toen men hinder ondervond van een kleine katholieke concurrent, zakte het stemmenpercentage even tot 28,97%, dat overigens altijd nog 30 van de honderd zetels opleverde. Verder schommelde het tussen 30,80% in 1946 en 32,69%, de beste uitslag aller tijden, in 1956. De 31,88% van 1963 (50 zetels) was zelfs nog de op twee na beste uitslag sinds 1918.

Maar dan gaat het grondig mis. De kiezers lopen weg. Katholieken kiezen voortaan op grond van instemming met een program of politieke houding, niet meer op grond van loyaliteit aan een bepaalde groep. Althans, dat geldt voor een deel van de katholieke bevolkingsgroep, die bij de volkstelling van 1971 de omvang van 1960, toen de magische veertigprocentsgrens voor het eerst doorbroken werd handhaafde op 40,4% . Ik geef alleen de korte reeks even: 1967 (26,50%, 42 zetels op inmiddels 150 Kamerleden), 1971 (21,84%, 35 zetels) en 1972 (17,65%, 27 zetels). Op grond van recente gebeurtenissen kunnen we ons de dramatiek wel enigszins voorstellen. In negen jaar tijd, van 1963 tot 1972, gaat het bijna om een halvering: de partij heeft nog maar 55% van het oorspronkelijke stabiele electoraat over. Dan wordt dus overgegaan tot een noodgreep. Men haalt twee van origine veel kleinere protestants-christelijke partijen, ARP en CHU, weg bij rechts om het afbrokkelende midden, en dat is meteen ook een machtspositie, te versterken. (Voor wie denkt dat de ARP linkser was: nee, dat was niet zo, alleen op het eind had je een aantal antirevolutionairen die wat op drift waren geraakt en ineens deden alsof zij altijd al radicaler dan die slappe roomsen van het machtscentrum waren geweest. De mythe die toen ontstaan is, vertroebelt het totale beeld tot op heden.) Niet voor niets positioneerde de eerste lijsttrekker van het CDA, Dries van Agt, de eerste Nederlandse katholieke politicus die grote groepen protestanten aan zich wist te binden, zijn partij met zoveel woorden in het midden. In de rede waarmee hij op 22 oktober 1976 het lijsttrekkerschap van het nieuwe CDA aanvaardde, zei hij met zoveel woorden: ‘Wij maken geen buigingen naar links en wij maken geen buigingen naar rechts.’ Het waren woorden die hij in wat andere varianten nog met graagte zou herhalen. In die jaren van sterke polarisatie was het ook een heel slimme strategie, die goed aansloot bij het sentiment van het gematigde deel van de bevolking.

-

Een christendemocratisch panacee
Het CDA slaagde wonderwel. Het werd de grote partij in het centrum, wat positie betreft de voortzetting van de oude centrale rol van de KVP, maar wel veel nadrukkelijker aanwezig. Men richtte zich immers op een zeer verdeelde kiezersmarkt. Er bestonden vanouds geen christendemocraten in Nederland. Men had de twee (of drie) groepen die maatschappelijk altijd het verst van elkaar stonden, verenigd. Merk op dat nu ARP en CHU in feite aan rechts waren onttrokken, de vanouds liberale VVD daar nu in zijn eentje de grote speler werd. De VVD was altijd de partij geweest van de zindelijke, bedaagde, fatsoenlijke, vrijzinnig-protestantse burgerheren, maar nu kreeg men ineens allerlei ander volk over de vloer, tot nota bene roomsen aan toe. Onder leiding van Hans Wiegel was de partij in de jaren zeventig gegroeid tot een factor van enig belang (22 zetels, meer dan ooit tevoren, in 1972, 28 zelfs in 1977) en onder uitgerekend de katholiek Ed Nijpels haalde de partij in 1982 zelfs het fenomenale aantal van 36 zetels, een prestatie die alleen in 1998 nog door Frits Bolkestein, meer een representant van de oorspronkelijke burgerlijke aanhang, zou worden overtroffen. Vanaf de vorming van het CDA kon men dus inderdaad over drie politieke hoofdstromingen spreken: aan de socialisten en de nieuwe christendemocraten werden de voorheen tamelijk marginale liberalen als derde hoofdrichting toegevoegd.

De rest van het verhaal is bekend. Aanvankelijk leek het goed te gaan met het CDA. Bij de eerste vijf landelijke verkiezingen waar het CDA vanaf 1977 aan meedeed, scoorde de partij tussen 29,39% (45 zetels) in 1982 en de 35,32% van Lubbers in 1989, toen de partij net als drie jaar eerder 54 zetels kon uitzoeken. De uitslagen van Lubbers waren hoger dan de KVP ooit behaald had. Ook in die jaren hadden CDA en PvdA samen ruim de meerderheid van het aantal Kamerzetels. In drie jaren namen de twee partijen samen zelfs tweederde van alle zetels in, met als uitschieter 1986, toen de twee opgeteld 67,78% van de kiezers wisten te overtuigen en 106 plekken in wat toen nog de Kamerbankjes waren, voor de leden van hun fracties gereserveerd werden. Die gegevens geven dus aan dat het CDA weer net zo onmisbaar was als de KVP dat in vroeger dagen was geweest. De socialisten konden voorlopig niets buiten het CDA om beginnen en wie niets met de socialisten wilde, kon ook niet om de partij heen.

En toen bleek dus ook het CDA op zand gebouwd te zijn. Men kon er niet structureel meer op vertrouwen dat er een achterban was die automatisch op de partij zou stemmen. Jacques van Doorn had in 1994 net het verkeerde, maar tot dan maar al te begrijpelijke opschrift aan zijn beschouwing meegegeven. In dat jaar bleek dat de aanwezigheid in het centrum van de macht ineens niet meer onvermijdelijk was. In 1994 dook het percentage naar 22,23% en in 1998 ging het verder omlaag naar 18,37%. Jan Peter Balkende leverde een grootse prestatie door bij drie verkiezingen vanaf 2002 tussen de 26,51% (in 2006) en 28,62% (in 2003) van het electoraat achter zijn partij te krijgen, het was geen aanhang die altijd trouw zou blijven, zoals in 2010 bleek toen dezelfde Balkenende zijn partij niet meer dan 13,61% van de stemmen wist te bezorgen. Het lijkt sterk op het echec van de KVP in 1972. Zelfs de structureel tamelijk kleine ARP waar hij van huis uit uit voortkwam, had wel eens beter gescoord: 16,41% in 1937 bijvoorbeeld.

-

Alles kan
Het is de vraag hoe het verder gaat. Anders dan in 1972 heeft het institutionele midden nu geen optie meer om nog eens andere partijen erbij te halen en zo als gezamenlijk bondgenootschap weer een centrale machtsfactor te vormen. Het is duidelijk waar de kiezers te halen zijn: bij die ene populistische partij waar men nu mee samenwerkt. Ook met die andere grote partij, de PvdA, gaat het structureel niet goed, maar op links is de differentiatie, de verspreiding over een stuk of wat partijen met een eigen accent, op zich tamelijk succesvol verlopen. Links is in zijn totaliteit al jaren vrij stabiel en vergeleken bij enkele decennia geleden structureel iets gegroeid (waarbij links zelf waarschijnlijk weer minder links is geworden, zo gaat dat). Op rechts is het proces niet goed verlopen. De VVD is momenteel wel de grootste partij, maar zij is er niet in geslaagd om het gat op – gepercipieerd – uiterst rechts, waar Hans Wiegel al sinds jaar en dag voor waarschuwde, niet te laten vallen. Het is juist een dissident uit die gelederen die geradicaliseerd is en een aanzienlijk, zij het structureel zowel in bereik als tijd beperkt deel van het electoraat weet te verleiden. (En het is, denk ik, ook niet toevallig dat hedendaagse extremisten juist uit het huidige liberalisme voortkomen, maar misschien moet ik het daar nog maar eens afzonderlijk over hebben). Voorlopig ziet het er niet naar uit de VVD of CDA dat gat dat de zogenaamde populisten – politiek als koopwaar, snoep, die juist van bovenaf wordt voorgehouden, een vorm van elitisme dus waarin kiezers zelf niets meer in te brengen hebben – gegraven hebben, kunnen vullen.

Alles kan. Het is echt niet ondenkbaar dat een vernieuwd CDA onder een nu nog onbekende lijsttrekker in 2015 of eerder weer meer dan 40 zetels haalt. Een CDA-Kamerlid werd afgelopen weekend enorm uitgelachen toen hij dat opmerkte – en dat hij de wel zeer onkatholiek handelende pathologische drammer Maxime Verhagen als leider ziet, pleit weer niet voor zijn realiteitszin -, maar volgens mij moet elke onpartijdige waarnemer beamen dat hij best gelijk kan hebben. De partij mag dan in de peilingen wel op een dieptepunt staan, ook nog nooit hebben zoveel mensen partijcongressen met spanning gevolgd en dat soms wat meesmuilende meeleven kan ook een keer in zijn tegendeel omslaan. Maar het is net zo goed denkbaar dat de partij bij de volgende verkiezingen nog verder verliest en op 15 of misschien zelfs wel 10 zetels uitkomt. Men doet zijn best, zullen we maar zeggen. Een vaste aanhang heeft het CDA nauwelijks meer. Dat was het grote voordeel van de KVP tot 1963: dat ze van aanhang verzekerd was. Het leek het voordeel van het CDA tot eind jaren tachtig, maar achteraf bleek het gezichtsbedrog. Het was vooral de aansprekende politiek van Van Agt en Lubbers die kiezers bij de partij hield, en het optreden van Balkenende die ze deels weer terugbracht.

De KVP vormde lang wel het midden van de Nederlandse politiek, maar het was ook een midden waar kiezers in feite niet bewust voor kozen. Protestanten hadden deze optie niet. Die kozen gewoon socialistisch, antirevolutionair, christelijk-historisch of liberaal of iets anders. Het was dus ook een midden in de zin van een centrum van de feitelijke macht. Pas bij de vorming van het CDA kon je als kiezer bewust voor een nieuw geformuleerde optie tussen socialisme en liberalisme in kiezen. Een structureel georganiseerd midden is er inmiddels niet meer in de Nederlandse politiek. Maar of daarmee ook het politieke midden verdwijnt, is een andere vraag, waar ik het eigenlijk over wilde hebben en waar het voorgaande alleen maar een inleiding op was. Maar voor vandaag lijkt dit trekken van enkele grote lijnen me wel genoeg.

Misschien dat ik later nog eens aan die vraag toekom: of het politieke midden echt verdwijnt. En of dat erg is.

(23)

10 november 2011

Nationale communicatiegemeenschappen

.:.

Nederland bestaat.

Wie daaraan mocht moet twijfelen, hoeft alleen maar te kijken naar de wereldkaart die cartograaf Eric Fischer op maandag 24 oktober 2011 publiceerde van de talen die twitteraars gebruiken. Hij visualiseerde daarbij de twitteractiviteiten tussen 14 mei en 20 oktober van dit jaar. En zelfs op een niet al te grote wereldkaart kun je daarbij Nederland nog zien, waarbij de wat fluorescerende groenblauwe kleur die hij aan het Nederlands toekende, niet onbehulpzaam is. Op de afzonderlijke uitsnede van Europa die Fischer maakte, kun je dat nog beter zien. (De wereldkaart en de Europese kaart kan men in verschillende groottes bekijken.)

Talengemeenschappen op Twitter (afbeelding: Eric Fischer)

-

Ik was natuurlijk nooit op zijn kaart gekomen als de site van de NRC die niet ontdekt had. Dinsdag 8 november schreef Marije Willems er een stukje over, waarbij ze verwees naar een publicatie door redacteur Cliff Kuang op de blog Co.Design van 4 november. Er doet zich daarbij een interessant interpretatieverschil voor. Cliff Kuang schrijft:

‘The real borders are created by language: Language is what makes someone addressable no matter where he is. Language is what you share with strangers above all else. Language is your passport into a new community of people.’

Dat klinkt op zich plausibel genoeg. Taal bepaalt de werkelijke grenzen tussen mensen. Nogal wiedes, zou je denken, als je iemand niet kunt verstaan of zijn woorden niet zonder hulp van Google Translate kunt lezen, dan wordt communicatie lastig. Maar dan vervolgt Kuang met deze zin:

‘Ergo, you can use language to map cultural barriers that transcend political boundaries.’

En daar gaat er dus iets mis. Geen twijfel: taal kán politieke grenzen overschrijden. Ik heb vandaag nog staan te praten met iemand van wie ik meen te weten dat hij in België is geboren, en we deden dat in het Nederlands en ik kon zelfs aan zijn accent – dat hij volgens de geldende normen niet had en ik overigens wel heb – niet horen dat hij een Vlaming was. Maar onze conversatie vond plaats in Nederland en hoewel we het over de politieke verwikkelingen in België hebben gehad, was er omtrent de lokalisatie van het gesprek geen twijfel mogelijk: vanuit Amsterdam keken we samen naar het zuiden. Wij met ons tweetjes over die daar. Objectiverend. Kuang heeft ongetwijfeld volkomen gelijk als hij stelt dat taal politieke grenzen kan overschrijden. Maar de vraag nu is: toont de twittertalenkaart van Eric Fischer dat? En dan denk ik dat het antwoord eerder ontkennend moet luiden.

-

In haar korte stukje voegt Marije Willems een wezenlijke observatie toe. Nadat ze eerst terecht vastgesteld heeft dat in een wereld ‘waar grenzen verdwijnen’, taalbarrières blijven bestaan en dat je dat op Twitter kunt constateren, merkt ze op (ik zet ‘meer’ stilzwijgend om in het kennelijk bedoelde ‘maar’):

‘Daarnaast zijn de landsgrenzen duidelijk zichtbaar, wat maar weer aantoont dat er weinig over de grenzen wordt getwitterd.’

Op Twitter zou iemand die deze uitspraak zou doorgeven, daar met wat inmiddels het gebruikelijke oneigenlijke gebruik van hashtags is, aan toevoegen: #spijker #kop. Het is namelijk exact wat de kaarten laten zien: binnen landsgrenzen gebruiken mensen in het algemeen de dominante taal, maar die gebruiken ze weinig over de grenzen heen, zo laat zich vermoeden. Een kleine afwijking van de eerste stelling kan men rond Barcelona waarnemen: hoewel de kleuren op mijn scherm ietwat onduidelijk zijn, krijg ik toch het vermoeden dat nogal wat lieden daar niet in het officiële Spaans of Kastiliaans, maar in het Catalaans twitteren. Maar het tweede punt waar het me nu om gaat, is: dat ook mensen met dezelfde taal niet zo bar veel over de grens twitteren.

Wie de kaartjes goed bekijkt, zal de grens tussen Nederland en Vlaanderen wel kunnen zien. In Nederland wordt meer getwitterd dan in het noordelijke, Nederlandstalige deel van België, dat kun je zien. Je kunt zien waar Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg liggen. Dat is opmerkelijk. En verder kun je ook zien dat Vlaanderen – wat dan tegenwoordig zo heet – toch iets meer een vlak, zij het dunner dan het Nederlandse, vormt dan het zuidelijke, Franstalige deel van België, waar de meeste activiteit rond Brussel en Luik geconcentreerd lijkt te zijn. In een eerste versie had ik geschreven dat Wallonië duidelijk onderscheiden kan worden van Frankrijk, waar men, gelijk bekend, dezelfde officiële taal spreekt en schrijft, maar eerlijk gezegd is het niet zo gemakkelijk om bij Lille de grens scherp te zien. Met dit alles is op zich nog niet bewezen dat Nederlandstalige Belgen niet met Nederlanders twitteren en Franstalige Belgen niet met Fransen, maar het lijkt me toch zeer aannemelijk dat ze het vooral onder elkaar doen. Wie naar andere grenzen kijkt, die tussen Duitstalige Zwitsers en Duitsland of tussen Franstalige Zwitsers en Frankrijk bijvoorbeeld, zal waarschijnlijk dezelfde vermoedens krijgen.

-

Ik denk dat deze gegevens – en dan is de Nederlands-Belgische grens het meest sprekend, maar in het algemeen vooral de vaststelling dat taalgrenzen in West-Europa vaak met die van staten samenvallen – weliswaar niet volledig bewijzen, maar wel aannemelijk maken wat ik hier onlangs al schreef in mijn stukje over Grondwettelijke orde: namelijk dat we nu meer dan ooit ‘één natie’ vormen, ‘die zich vooral uit in de vorm van een nationale communicatiegemeenschap’. Dat ‘we’ uit de vorige zin betekent wat mij betreft dan niet alleen Nederlanders, maar mag opgevat worden als een uitspraak die voor heel veel mensen op de wereld geldt: allemaal maken ‘we’ – in die algemene zin – deel uit van nationale communicatiegemeenschappen. Taal is het minimum dat we nodig hebben om met elkaar te praten, en hoewel velen van ons – alweer internationaal opgevat – een aardig mondje Engels of anders wel een ander tamelijk mondiale taal spreken, doen we dat toch het liefst of het vaakst in onze nationale taal, die vaak ook onze moerstaal (zij het net niet de mijne) zal zijn. Maar er komt dus nog iets bij: er moet ook een nationale verwantschap zijn. Mijn zicht op Twitter is uiteraard nogal door mijn interesses – politiek, filosofie, religie, geschiedenis en nog zo wat – beperkt, toch krijg ik de stellige indruk dat vooral Nederlanders met Nederlanders twitteren en vooral Vlamingen met Vlamingen, zelfs als het over onpolitieke zaken als literatuur of wijsbegeerte gaat. Ik zie niet zo bar veel transnationaal twitterverkeer, behalve dan met Nederlanders in den vreemde, of dat nu Egypte, Indonesië, Israël, Italië of de USA is.

Daar past overigens wel de kanttekening bij dat Engels op de kaart van Fischer bewust in een grijstint naar achteren is gedrongen. Veel mensen zullen in die taal wel degelijk informatie opdoen en zo af en toe internationaal uitwisselen, maar ik vermoed dat die internationale oriëntatie vooral een aanvulling vormt op de intensieve debatten die vooral binnen het eigen nationale gebied gevoerd worden. En dat ook is wat de kaart van Eric Fischer laat zien: dat mensen vooral binnen hun taalgebied en daarbinnen binnen hun staatsgebied communiceren. In die zin denk ik dus dat nog steeds klopt wat ik in mijn blog over Grondwettelijke orde schreef:

‘dat de natiestaat momenteel sterker is dan ooit en als impliciet idee krachtiger is dan ooit.’

Maar alleen in een bepaalde zin. Wat er zich nu voor onze ogen afspeelt, is nog steeds het gevolg van de succesvolle en in hoge mate noodzakelijke creatie van de negentiende-eeuwse en eerdere natiestaten – de vorming van de Nederlandse begon op zijn laatst in 1609, al had het er anders mee kunnen aflopen –, maar je kunt misschien ook zinvol betogen dat die natiestaten als zodanig nu lichtelijk verdwenen zijn, maar dat de nationale communicatiegemeenschappen die ze in het leven hebben geroepen, levendiger zijn dan ooit. Onze defensie en onze volkshuishouding hebben we in hoge mate in overstijgende verbanden – NATO, EU – ondergebracht en in die zin bestaat de Nederlandse natiestaat mogelijk niet meer in volle omvang. Maar die Nederlandse natie, die is overtuigender present dan ooit. Die natie is vooral een gemeenschap van mensen die voortdurend met elkaar in gesprek zijn, en daarvan is Twitter een prachtige indicatie. De kaart van Eric Fischer laat vooral zien hoe Nederland veel meer dan andere landen verdicht is en hoe het onderscheid tussen stad en platteland opgeheven lijkt. Maar dat is iets voor een volgende blog.

-

Voorlopig lijkt me de conclusie genoeg dat nationale – of binnennationale (België, Zwitserland) – communicatiegemeenschappen het sociale weefsel van de wereld vormen en dat Nederland daarbij waarschijnlijk een van de meest sprekende voorbeelden vormt.

(22)

9 november 2011

Taal en de orde van de wereld

.:.

Zo af en toe kom je de gedachte tegen dat de wereld één lange causale keten is. Alles zou zo zijn oorzaken hebben.

Ik heb dat altijd een onbegrijpelijke gedachte gevonden en vooral een gedachte die ernstig in strijd is met onze alledaagse ervaringen. We weten immers allemaal dat niet alleen de dingen zo hun oorzaken hebben, maar dat mensen ook zo hun redenen hebben – en anders geldt dat wel voor het menselijk hart, zoals een zekere Fransman – ‘Le coeur a ses raisons, que la raison ne connaît point’ – nu zo’n drieëneenhalve eeuw geleden opmerkte. Maar niet alleen het hart, ook de rede heeft – het woord zegt het al – zo zijn redenen. In onze alledaagse ervaring van de wereld gaan we er helemaal niet vanuit dat alles causaal verklaarbaar is, we gaan er tot aan het verkeer toe vanuit dat mensen beslissingen nemen en we vertrouwen erop dat ze dat meestal gewetensvol en empathisch doen.

Net als deze negentiende-eeuwse studenten uit Tübingen speelde David Hume (1711-1776) graag biljart: een prachtig voorbeeld van de combinatie van menselijke wil (het stoten) en causaliteit (de gang die de ballen nemen), maar de Schotse filosoof deed net alsof hij dat laatste niet doorhad. (foto: Wikipedia)

Nu weet ik niet of er echt veel mensen zijn die werkelijk denken dat de hele wereld één lange causale keten is. Het gaat, vrees ik, vooral om filosofen, waarbij je natuurlijk enerzijds een selecte groep positivisten hebt, en anderzijds waarschijnlijk nog meer antipositivisten die graag bestrijden wat vrijwel niemand beweert. En ook deterministen zullen niet beweren dat ze alles daadwerkelijk causaal kunnen verklaren, maar wel dat alles in principe causaal verklaarbaar is. Hoe ze dat dan weer kunnen weten, is een nadere vraag. Als een standpunt zozeer in strijd is met onze alledaagse ervaring, waarin mensen voortdurend keuzes maken, is er wel veel geloof voor nodig om daar een verklaring achter te zoeken die precies het omgekeerde stelt van wat we meemaken. Maar theoretisch is een dergelijke positie, hoewel onbewijsbaar, misschien wel houdbaar. Juist daarom trouwens: wat principieel niet bewijsbaar is, is ook niet weerlegbaar.

-

Gisteren had ik het hier over de geboorte van twee nieuwe woorden op één dag, of feitelijk misschien op twee achtereenvolgende dagen. In het Nederlands is het, merkte ik toen al op, niet moeilijk om nieuwe woorden te maken. We hoeven er zelfs niet eens specifiek over na te denken en waarschijnlijk gebruiken we allen elke dag wel een combinatie die nog nooit eerder over iemands lippen was gekomen en die dat misschien ook nooit weer zal doen. Alleen uit onwetendheid of suffigheid al, bijvoorbeeld omdat de gangbare term ons zo snel niet te binnen wil schieten, maken we steeds nieuwe woordcombinaties. Alleen omdat ‘wereldleiders’ kennelijk even niet in mijn brein op wilde komen, repte ik recent nog van ‘wereldpolitici’, overigens niet nieuw, maar in dat geval wel volkomen onbedoeld. Het ging om een vergissing, een kleine vergissing, maar eentje die niet onverklaarbaar, zij het niet causaal verklaarbaar, was en die verder ook volkomen begrijpelijk was – in twee opzichten: wat betreft het ontstaan en wat betreft het bedoelde.

Taal is misschien wel het mooiste voorbeeld om te laten zien dat mensen gedoemd zijn origineel te zijn. Natuurlijk, niet elke gedachte die mensen uiten, is oorspronkelijk. Gelukkig ook maar niet, we zouden horendol worden als we de hele dag door met volstrekt nieuwe ideeën overladen werden. Maar de meeste zinnen die we horen of onder ogen krijgen, zijn wel degelijk nieuw. Het is heel moeilijk om een stukje te verzinnen dat volledig uit clichés bestaat die allemaal al eens uitgesproken of opgeschreven zijn. Daarentegen is het absoluut niet moeilijk om een stukje te schrijven dat stuk voor stuk bestaat uit zinnen die nog nooit eerder zo opgeschreven zijn. Dit stukje is er trouwens net geen voorbeeld van: onder elke punt na elke zin heb ik een link naar een Google-zoekopdracht naar die zin verstopt en u kunt ze allemaal aanklikken: slechts drie zinnen zijn eerder zo opgeschreven – probeert u ze maar eens te vinden – en die had ik gemakkelijk zo kunnen veranderen dat ook zij uniek werden. Alle overige eenenzestig zinnen hebt u zo nog nooit gezien, terwijl de zesentwintig letters toch allemaal bekend zijn en het overgrote deel van de woorden ook niet nieuw is. Ik zou zelfs niet weten of er in dit stukje wel een nog nooit gebezigd woord voorkomt. Aangezien de spellingcontrole niet moeilijk deed, verwacht ik van niet.

-

Taal is, denk ik, wel de mooiste illustratie van het gegeven dat mensen steeds iets nieuws aan de wereld toevoegen, iets dat er nog nooit was en vaak ook iets dat nooit terug zal keren. De meeste woorden die mensen spreken, verwaaien. Ook internet legt maar een fractie vast. Maar eigenlijk laat taal zien dat de doorbreking van een causale orde nog fundamenteler is dan op het punt van bewuste keuzes en van menselijke redenen. Want onze taaluitingen zijn grotendeels een onbewuste vormgeving van min of meer bewuste gedachten. Natuurlijk zijn talige uitingen niet volstrekt willekeurig. Je herkent iemand aan zijn stijl. Je weet dat je bepaalde uitspraken van iemand kunt verwachten en andere beslist nooit. Als op Twitter iemand ineens onverwachte dingen schrijft, vraag je je dan ook al snel af of zijn account niet gehackt is. Kortom, ook de talige uitingen van mensen zijn beperkt, door de regels van de taal, maar ook door hun psychische, sociale en mentale habitus. Maar daarbinnen gebeuren dus steeds – letterlijk – onverwachte dingen. Ook een spreker weet niet wat hij gaat zeggen, voor hij het gezegd heeft. Ook een schrijver weet niet wat hij gaat opschrijven, voor zijn handen het toetsenbord losgelaten hebben.

Taal is een regelgerichte activiteit. En we volgen regels die we voor het overgrote deel niet eens kennen. We weten impliciet alleen hoe we ze toe moeten passen. En we kunnen ze breken. En dat gebeurt ook voortdurend. Taalverandering kan bewust zijn, maar is deels vooral een onbewuste activiteit, een kwestie van vergissingen. Men beweert dat het ook evolutionair zo gaat. Dat door kleine varianten in het DNA nieuwe soorten ontstaan. Ook dan zouden foutjes dus de motor van verandering zijn. Zou kunnen. Maar in taal kunnen we dat dagelijks zien. Uit elk weblogstukje moet ik achteraf wel kleine foutjes vissen. Dan is de regel waar ze vanaf wijken, dus aanwijsbaar. Maar net zo goed schrijf ik dus ook voortdurend dingen op die ik niet had kunnen voorzien.

Taal laat zien dat de wereld niet uit een causale natuurlijke orde bestaat, maar telkens opnieuw herschapen wordt. Telkens wordt er iets aan toegevoegd. En die toevoegingen beperken zich niet tot de wereld van de taal of van de ideeën of van de boeken, want die woorden oefenen invloed uit op de wereld, ook op de fysieke wereld waarvan we veronderstellen dat die door causaliteit gekenmerkt wordt. Op grond van wat mensen met elkaar bespreken en bedenken, veranderen ze de wereld en de orde van de dingen. Natuurlijk kunnen ze daarmee de fundamentele orde van de dingen niet doorbreken. Bakstenen blijven met dezelfde valsnelheid vallen. Maar mensen kunnen ze wel zo op elkaar stapelen en met specie aan elkaar vastplakken dat ze een gebouw vormen en het idee daarvoor is toch ooit in taal – en daarvoor in de onbestemdheid van een menselijk brein – begonnen.

-

Juist omdat taal als regelgerichte activiteit – en regels kunnen anders dan natuurwetten gebroken worden – en als deels onbewuste uiting van het menselijk bewustzijn zo onder het maken van keuzes doorduikt en nog voor het terrein van de bedachte redenen ligt, vormt ze als verschijnsel het beste bewijs dat de wereld meer is dan een causale keten.

(21)

8 november 2011

Minder kans voor vonnismijders en vonnisvluchters

.:.

Present at the Creation luidde de titel die Dean Acheson in 1970 aan zijn memoires meegaf. Hij was, onder meer in zijn rol als secretaris van een genootschap van toen nog achtenveertig staten, dat zich bescheiden de Verenigde Staten van Amerika noemt en dat destijds voorgezeten werd door Harry S. Truman, aanwezig bij de geboorte van de Koude Oorlog. Het is maar wat je onder scheppen verstaat.

Amsterdamse banpaal in Sloten. In vroeger tijden was verbanning, de plicht om een stad te mijden, een gebruikelijke straf (foto: jpmm)

Hoe het ook zij, een soortgelijk gevoel bij de geboorte van iets nieuws aanwezig te zijn, maar dan heel erg in het klein, overviel mij dertien dagen geleden, op woensdagmorgen 26 oktober 2011. Ergens tussen negen en tien uur die ochtend opende ik de Nederlandse versie van Google News en op de voorzijde – niet dat er een achterzijde is (daar staat bij mij alleen ‘Toshiba’) – viel mijn oog onmiddellijk op de kop ‘Teeven zet in op vonnismijders’. Het bleek om een klein berichtje op de site van het Eindhovens Dagblad te gaan, dat om 8.46 uur geplaatst was en dat meldde dat de staatssecretaris ‘meer werk’ ging maken van ‘mensen die een straf opgelegd hebben gekregen, maar die ontlopen.’ De bewindsman, die vanuit een eerder leven een reputatie als crimefighter hoog heeft te houden, wilde de mogelijkheden om enkele tienduizenden ‘vonnismijders alsnog te pakken, aanzienlijk verruimen.’ Het was niet zozeer de daadkracht van Fredrik Teeven, de eerste staatssecretaris die zich, sinds het ministerie een paar staatsvormen terug in 1798 werd opgericht, expliciet om onze veiligheid bekommert (je moet er maar op komen), als wel dat woord, vonnismijders, dat mijn aandacht trok. Dat had ik bij mijn weten nog niet eerder gezien.

-

De geboorte van een woord
En dat was ook zo. Even wat goochelen met Google bevestigde dat het woord goed een uur oud was, althans pas die ochtend aan het licht was gekomen. Slechts enkele vermeldingen waren er te vinden, alle van na acht uur, en alle gingen terug op hetzelfde ANP-berichtje over onze voortvarendheid uitstralende stas van veiligheid en gerechtigheid. Ook Google had, kon je toen nog goed zien, tot die ochtend nog nooit van het woord gehoord. De vraag was alleen wie het woord had uitgevonden. Of waar dat gebeurd was. Ik ging er, net als Trouw-taalrubriekverzorger Jaap de Berg, die het woord dezelfde dag signaleerde en er op zaterdag 29 oktober een stukje aan wijdde, eigenlijk vanuit dat het woord wel op het ministerie verzonnen zou zijn.

Woorden aan elkaar plakken is in het Nederlands niet moeilijk en elke dag ontstaan zo achteloos en veelal onopgemerkt nieuwe samenstellingen, die even gemakkelijk weer verdwijnen, maar dit leek toch een ander, meer specifiek geval, mogelijk een onderdeel van een uitgekiende campagne. Wie een nieuw probleem ziet, of misschien ook wel een oud probleem, en dat eens goed onder de aandacht wil brengen, doet er verstandig aan een nieuwe term te munten, die de geest van de hoorder of lezer er automatisch op richt. Woorden scheppen begrippen, delen onze wereld in en geven die vorm. Ze kunnen zelfs een nieuw partje aan de wereld toevoegen. Ook in die zin kon ik het terechte gevoel hebben aanwezig te zijn bij de schepping van een nieuwe begrip en een nieuwe realiteit

De behoefte aan een specifieke term kan men ook wel begrijpen: wie de tenuitvoerlegging van zijn straf vermijdt, is nog niet direct aan voortvluchtige in de volle zin des woords. Het zal er immers om gaan dat een sanctie ten uitvoer kan worden gebracht en dat kan ook een taakstraf of een geldboete zijn. Daar heeft men de veroordeelde wel even voor nodig, maar ook weer niet blijvend. Vandaar dat men kennelijk een ander woord zocht dat een hele groep kan omvatten. Helemaal vlekkeloos is het woord volgens Jaap de Berg overigens niet. Nadat hij ons uitgelegd heeft dat er meer mijders zijn, waaronder zorgwekkende zorgmijders – men ziet het Suske en Wiske-album al voor zich – en dat het Engelse avoiders wel model zal hebben gestaan, schrijft hij ter onderbouwing van zijn oordeel:

‘Wat de delinquenten mijden, is immers niet zozeer het vonnis, de rechterlijke uitspraak, als wel de tenuitvoerlegging van de straf. De voorkeur verdient daarom een synoniem dat al enkele jaren in omloop is: strafontlopers.’

Hij had die conclusie al verraden in het zeker adequate opschrift: ‘Straftontlopers nu opeens vonnismijders’. Merk overigens op dat het ANP-stukje ook expliciet sprak over ‘mensen die een straf opgelegd hebben gekregen, maar die ontlopen.’ Maar juist dat maakte het vermoeden dat vonnismijders van de staatssecretaris of zijn departement afkomstig was, des te plausibeler. De vraag was dan vooral in welke context en met welke specifieke invulling de term geïntroduceerd werd.

-

Op zoek naar een brief
Uit andere versies van het ANP-bericht – hier die bij De Pers, die volledig lijkt te zijn en waar geen zinnen of alinea’s uit zijn gehaald, zoals her en der het geval is – bleek dat de staatssecretaris ‘een brief met zijn plannen aan de Tweede Kamer gestuurd’ had. Op zoek naar dat document dus. Maar hoe ik die woensdagmorgen tussen negen en tien ook zocht op overheidssites als Rijksoverheid en Officiële bekendmakingen, nergens kon ik ook maar een spoor vinden van een brief die over dit onderwerp zou kunnen gaan. Het is op zich geen onbekend verschijnsel: de pers blijkt vaak veel eerder over officiële overheidsdocumenten te beschikken dan dat ze door ministeries aan het publiek beschikbaar gesteld worden. Ik ben dan altijd wel benieuwd of zo’n brief op het moment dat journalisten erover schrijven, al wel ouderwets fysiek bij de leden van de Tweede Kamer is beland. Of moeten die net als wij, eenvoudige burgers, ook maar geduld betonen?

Een paar dagen later besloot ik nog eens te kijken of de brief inmiddels wel te vinden was, en ja hoor, in de loop van woensdag 26 oktober bleek het Ministerie van Veiligheid en Justitie twee Kamerstukken op Rijksoverheid gezet te hebben. Het ene, bestaande uit enkele Kamervragen – kijkt u zelf maar even – was een treffende invulling van het sartreaanse néant, het andere werd omschreven als ‘Brief Tweede Kamer: Uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen’. Dát moest het schrijven zijn waar ik naar zocht. Het vervelende was alleen dat geen enkele link naar een pdf was bijgevoegd, zoals dat gebruikelijk is. Ik besloot daarop navraag te doen en zo’n vraag via de site komt dan automatisch bij Postbus 51 terecht. Op maandag 31 oktober om 12.39 – de tijd doet er in dit geval toe, zal zo blijken – kreeg ik een ontvangstbevestiging. Twee en vier dagen later meldde men mij dat men er nog niet uitkwam, maar gisteren, 7 november 2011, precies na een week dus, ontving ik een e-mail van de directie voorlichting van het ministerie, waar een pdf van de brief als bijlage bijgevoegd was. Ook toen bleek de brief nog steeds niet op Rijksoverheid te staan, maar inmiddels is het erratum hersteld. Als je eenmaal over de tekst beschikt, is het ook veel gemakkelijker om door bijvoorbeeld een zin in te vullen – de meeste zinnen in onze taal, ook de meest clichématige, zijn uniek – te zoeken of een document ook elders staat. Welnu, het bleek dat de brief op maandag 31 oktober om 16.10 uur tien op Officiële bekendmakingen was geplaatst (en vervolgens ook elders was overgenomen). Ik had dus inderdaad gezocht naar een brief die toen nog onvindbaar was.

-

De brief gevonden
Ik was dus benieuwd. Het is, dat zie je al na een paar zinnen, geen brief van het type dat je met rode oortjes uitleest en de elf keer, meest in het meervoud gebezigde term ketenwerkproces vormt daar in zijn eentje al een aanwijzing voor, maar gebruik van de zoekfunctie liet binnen een oogwenk zien dat de vonnismijder in dit schrijven in ieder geval niet zijn opwachting maakt. Het verbum mijden komt er trouwens sowieso niet in voor, en ook alle varianten met ontlopen ontbreken. Kortom, wat ik – en ook Jaap de Berg – tot dusverre bij aan gebrek bij documentatiemateriaal veronderstelde, bleek niet te kloppen. De vonnismijders moesten een andere oorsprong hebben dan het brein van Fred Teeven of een zijner ambtenaren. Verrassend.

Het leek me goed nog eens weer naar een paar versies van het ANP-berichtje van woensdagochtend 26 oktober te kijken. Wat veel kranten kennelijk graag wegknipten, maar het Eindhovens Dagblad in zijn summiere versie wel liet staan, was dat een woordvoerder van het ministerie een en ander meldde ‘naar aanleiding van berichtgeving in De Telegraaf’. Daar had ik eerder op moeten letten. Even zoeken en ja hoor, om 5.30 uur die morgen – wakker Nederland, hè – was er een berichtje op de site verschenen over de ‘Jacht op onvindbare ‘veroordeelden’’ en daarin werd gesproken over ‘ruim 6500 criminelen die al meer dan drie jaar onvindbaar zijn’. Dat zijn inderdaad gegevens uit de genoemde brief. Ik geloof trouwens dat 6500 onder de tienduizenden van het ANP ligt, maar dit terzijde. Belangrijker was de toevoeging dat de papieren krant die dag meer over dit onderwerp bevatte. En inderdaad, het bleek dat het omstreden dagblad er zelfs groot mee opende: ‘Jacht op vonnisvluchter’. Groot is dan overigens vooral een aanduiding voor de kop – het is een krant die je, weet ik uit ervaring, uitstekend mee kunt lezen vanaf een balkon op driehoog – niet voor het bericht, want dat blijkt – hier is het overgenomen – nogal beknopt te zijn. Maar wat nu belang is, ook daarin zal men geen vonnismijders aantreffen, niets met mijden trouwens, maar wel worden deze lieden die ‘de dans ontspringen’ en hun straf of boete ‘met succes ontlopen’, ‘weglopers’ genoemd.

-

Vonnisvluchters
Het wordt tijd op een ander woord te letten dat ondertussen al gevallen is: vonnisvluchter, het woord uit de Telegraaf-kop. Het ziet er naar uit dat de openbaring daarvan van dezelfde ochtend is, wat alleen al ondersteund wordt door het gegeven dat een zoekopdracht naar teksten met dat woord, maar zonder het begeleidende ‘jacht’ niets oplevert. We kunnen nu een plausibele gang van zaken reconstrueren. Het ziet er naar uit dat het ongeveer als volgt is gegaan. Op dinsdag 25 oktober besloot De Telegraaf de volgende dag te openen met de op zich tamelijk saaie brief van de staatssecretaris. Het was een koppenmaker van die krant die de term vonnisvluchter bedacht om de lieden achter ‘de 6500 zaken die langer dan drie jaar in het OPS geregistreerd staan’ – OPS is opsporingsregister – een gezicht te geven. In het bericht zelf valt de term nergens.

De volgende ochtend kreeg een wakkere of misschien ook nog niet zo wakkere redacteur van het ANP de grote krant onder ogen en die dacht: daar moeten we even achteraan. Het zal trouwens wel in overleg zijn gegaan. In alle vroegte werd een voorlichter van het departement van justitie getraceerd, en die kon wel bevestigen dat wat in De Telegraaf stond, klopte. Zo ongeveer de gehele inhoud van het ANP-bericht is afkomstig uit de grote ochtendkrant, zodat men de woordvoerder alleen nog maar als officiële bron nodig had. Overigens komt de advocaat van de verdachte, die in de laatste zin opduikt, zo niet in De Telegraaf voor en die staat zo ook niet in de staatssecretariële brief. Men heeft na het gesprek met de woordvoerder zelf nog een kleinigheid kunnen toevoegen. De vonnisvluchter van De Telegraaf zette de ANP-redacteur in zijn weergave vervolgens om in vonnismijders.

En vervolgens ging het bericht het land in. Kennelijk werden er twee suggesties voor een kop meegeleverd. Een deel van de media publiceerde het bericht net als het Eindhovens Dagblad, waar ik het het eerst zag, onder het hoofd ‘Teeven zet in op vonnismijders’. Een ander deel koos voor ‘Justitie maakt jacht op ‘vonnisvluchter’’, waarin de verwijzing naar de uitvindende krant dus beter behouden werd. Maar in alle versies wordt in het bericht zelf alleen over vonnismijders gesproken. Uiteraard kan het allemaal net iets ander gegaan zijn, maar dit lijkt een tamelijk plausibele reconstructie, zou ik zeggen.

-

Nieuws maken
Het bleek dus allemaal net iets anders te zijn dan ik verwacht had. Wat ik die woensdagmorgen zag, was achteraf gezien al de tweede geboorte van een nieuw woord op één dag. Het jonge vonnisvluchter had binnen enkele uren vonnismijders gebaard. Enerzijds was het dus nog boeiender en gecompliceerder dan ik toen besefte, anderzijds bevat deze uitkomst ook wel iets teleurstellends. Direct toen ik de vonnismijders zag, dacht ik dat de levensduur van dit woord weliswaar wel eens tamelijk beperkt kon zijn, maar dat het wel een goede kandidaat voor op zijn minst de eindjaarlijkse lijsten met nieuwkomers zou zijn. Maar nu blijkt dat er geen departementale strategie achter zit, maar het een journalistieke vinding is, is de kans dat het in de Tweede Kamer en andere debatten opgepikt gaat worden, veel geringer. Het woord zou dus wel eens een eendagsvlieg kunnen blijven, ook al wekt de huidige vermenigvuldiging van zelfs het onbeduidendste nieuwsbericht op internet niet die indruk. Maar erg te treuren hoeven we ook niet. Jaap de Berg heeft immers gelijk dat straftontlopers veel bruikbaarder is dan vonnismijders of, voeg ik daar maar aan toe, vonnisvluchters.

Blijft nog wel een andere bevinding over, waar ik eigenlijk niet naar op zoek was: de vraag hoe nieuws werkt. Hoe is de opening van De Telegraaf tot stand gekomen? Kregen werkelijk alle media tegelijk de verder nog ongepubliceerde brief van de staatssecretaris toegezonden en dacht alleen bij De Telegraaf iemand: hé, dit is interessant, hier moeten we werk van maken? Of was er iets ingestoken en heeft Teeven of hebben zijn medewerkers de krant benaderd met de vraag of men hier niet iets groots van kon maken? Beschikte werkelijk iedereen over dezelfde tekst of had de ochtendkrant een streepje voor? En waarom duurde het dan tot zes dagen na de datering dat de brief ook daadwerkelijk op het wereldwijde web gepubliceerd werd? Al kan ik me ook voorstellen dat het weglaten op Rijksoverheid niet meer dan een eenvoudige slordigheid was.

-

Minder kans
Hoe het ook zij, als het beleid van de staatssecretaris slaagt, maken vonnismijders en vonnisvluchters voortaan wat minder kans hun straf te ontlopen. En omdat het woord niet beleidsmatig is uitgevonden, maken de vonnismijders en vonnisvluchters ook wat minder kans het woordenboek te halen.

Het is niet anders.

(20)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers