Archief voor oktober, 2011

31 oktober 2011

The Right Thing To Do

.:.

Soms is het heel simpel.

Er ligt een keuze voor, en dat kan een keuze zijn die je zelf niet gezocht hebt, en je moet ja of nee zeggen. En dan weet je gewoon wat het juiste antwoord is. Ja, ik kom nog even op de zaak-Mauro terug, want dit is zo’n simpel geval. Nee, dat was zo’n simpel geval, tot de minister besloot om niet te doen wat hij wist dat hij moest doen. Daardoor is dit schijnbaar een ingewikkeld geval geworden.

Ja, er zijn vele zaken waarbij de keuze tussen ja of nee heel lastig kan zijn. En ik behoor tot het soort mensen dat het meestal niet weet of dat vaak probeert zich zo lang mogelijk van een oordeel te onthouden, en soms helemaal, als het toch niet nodig is. Ik mag graag de dingen van enige afstand bekijken. Als ik dus zie dat één individueel geval in het middelpunt van de belangstelling komt te staan, is mijn eerste wantrouwige reactie: is dat nou wel nodig? Zijn er niet veel meer andere, vergelijkbare gevallen? Moeten we dit niet algemener benaderen? Een vraag die ook al vaak gesteld wordt, is of er niet meer even schrijnende of schrijnender – ik hoorde op tv iemand beweren dat de comparatief niet bestond, maar mijn Van Dale kent die wel – gevallen zijn. O ja, vast en zeker wel, maar dan zegt dit ene geval, dat ons door omstandigheden zo beroert, kennelijk ook daar wat over.

Charles-Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu (1689-1755), aan wie de leer van de 'trias politica' wordt toegeschreven, al gebruikte hij de term nooit.

En dit geval is duidelijk. Is er ook maar één concreet belang bij gediend om deze in alle opzichten Nederlandse jongen na ruim acht jaar uit dit land te verwijderen, hem los te rukken uit het gezin waar hij toe behoort – en dat vooral nu hij ruim acht maanden lang, van oktober vorig jaar tot juni van dit jaar, mocht leven met de belofte dat hij hier wel mocht blijven? Nee. Maar zou hem hier houden hem, zijn naasten en vrienden veel verdriet besparen? Ja. Nou dan. En daarbij weet ik ook wel dat grensvragen lastig zijn. Als acht jaar de doorslag geeft, waarom dan zeven of zes niet? Of vijf of vier? En, is er niet bij elke uitzetting, ook na een jaar, verdriet? Lastig, lastig, maar in dit geval vinden de meeste mensen de casus op zichzelf bezien wel helder en dat geldt zelfs voor velen die andere overwegingen menen te moeten laten prevaleren, waarover zo meer.

-

De minister heeft, zo hebben twaalf asielrechtdeskundigen, op eentje na allemaal hoogleraren, in de Volkskrant betoogd en heeft Jan de Visser, een van de zes die begin dit jaar om het voorzitterschap van het CDA streden, op zijn weblog even overtuigend laten zien, alle ruimte om alsnog gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. De twaalf geleerden betogen trouwens dat de precedentwerking gering zal zijn, en Jan de Visser stelt dat er uit de toepassing van discretionaire bevoegdheden ‘nooit beleidsregels afgeleid’ worden. Ik vraag me dat wel een beetje af. Maar indien wel, so what? Uiteraard dien je die andere gevallen ook zo te behandelen. Dat hoort sowieso al. En als je consequenties voor de toekomst vreest? Dan zorg je maar dat die niet meer voorkomen. (Dat hele idee van een aanzuigende werking is trouwens toch al kwestieus.) Waarbij ik wel wil aantekenen dat het idee dat je sommige dingen definitief kunt regelen, illusoir is, een overdreven geloof in de maakbaarheid van de samenleving.

Kortom, eenvoudig geval en de minister kan een eenvoudig antwoord geven. Hij vindt zelf eigenlijk ook dat Mauro hier moet blijven en probeert daar via bijvoorbeeld een studievisum wegen voor te vinden. Maar niets belet hem om Mauro gewoon een verblijfsvergunning te geven. Hij kan wel, maar hij wil niet. Ten onrechte verschuilt hij zich achter de ‘regels’. De wet geeft hem juist de volle mogelijkheid om de zaak met één pennenstreek op te lossen en die pen kan hij dan vervolgens ook voor andere, mogelijk vaak veel schrijnender gevallen gebruiken. Dat maakt het ook zo ernstig: de onoprechtheid van de minister. Stellen dat hij de zaak aan de geldende regels getoetst heeft, terwijl hij gewoon zelf kan doen wat er gedaan moet worden. Wie over discretionaire bevoegdheid, (enige) vrije beleidsruimte dus – geen willekeur, ook al betekent het adjectief dat in het Frans wel degelijk – beschikt, dient per definitie hogere normen aan te leggen dan die van het geldende, positieve recht; daar is die bevoegdheid namelijk voor: om zelf een afweging te maken. De minister kan gewoon doen wat rechtvaardig is. Barmhartigheid is in dit verband een misleidend woord. Het gaat om the right thing to do. Dat is niet met de hand over het hart strijken, dat is gegeven de voorliggende keuze een kwestie van recht en gerechtigheid.

-

Wat mij het meest opvalt, is dat de verdedigers van de minister zich in de meest vreemde bochten wringen. Tijdens het CDA-congres van zaterdag bestond Elco Brinkman, voorzitter van de fractie in de Eerste Kamer, het zelfs om een tegenstelling te creëren tussen mensen die ‘emotie en geweten’ lieten prevaleren, en mensen die van het ‘verstand’ zouden uitgaan. Die man zou dus echt enige filosofische bijscholing kunnen gebruiken. Het geweten staat dus tegenover de rede? Oei! Het is natuurlijk flauwekul. Het geweten is juist een redelijke zelfbinding aan normen die je erkent. En gevoelens en emoties kunnen redelijk zijn, maar soms ook onredelijk, wat alleen al gegeven is door de – soms juiste, soms onjuiste – informatie die ze bewerkstelligt. Het gewone rechtsgevoel staat niet tegenover het verstand, maar komt op hetzelfde neer. Zonder emoties zouden we trouwens helemaal niet kunnen denken. Zuivere semantiek bestaat voor mensen gelukkig niet. Wat opvalt, is juist de irrationaliteit van degenen die de weigering van de minister om het juiste antwoord op de voorliggende vraag te geven, verdedigen. Eindeloos en velerlei – ik zag het ook op Twitter – zijn de uitvluchten, niet alleen over de zogenaamde ‘regels’ en nog van alles en nog wat, maar ook over wat er in het verleden had moeten gebeuren. Had staatssecretaris Albayrak – alles draait, zie de overzichtelijke tijdlijn bij Krapuul, om haar besluit van 19 november 2009, dat door de rechtbank op 4 oktober 2010 eerst vernietigd werd en door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juni 2011 vervolgens gebillijkt werd – dan in november 2009 niet al een verblijfsvergunning moeten geven? Ja, misschien wel. Maar alle mogelijke gelijk inzake het verleden verandert niets aan de kristalheldere vraag die zich nu aandient. Rede, rechtsgevoel, natuurrecht, waar men maar vanuit gaat, spreken helder.

Een misverstand dat ook vaak opduikt, is dat de trias politica hier in het geding zou zijn. De rechter heeft toch immers gesproken? Jazeker, maar het gaat hier echt niet om een inbreuk op het gezag van de rechterlijke macht. Zoals dat meestal gaat, wordt de Vreemdelingenwet 2000 vooral uitgevoerd door – het werkwoord kondigt het al aan – de uitvoerende macht. De rechter voert primair niks uit. Die is er om nadat je bezwaar bij het bestuursorgaan hebt gemaakt, bij in beroep te gaan. De rechter corrigeert het bestuur hooguit, als dat alle grenzen overschreden heeft. Het is, als je het scherp wilt stellen, dus eerder zo dat de rechterlijke macht, overigens geheel volgens de wet en rechtsstatelijke vereisten, ‘inbreekt’ op de uitvoerende macht. En juist daarom oordeelt de bestuursrechter in het algemeen marginaal: dus of men binnen bepaalde grenzen dit had kúnnen doen, wat dus niet wil zeggen dat het tegendeel niet ook gekund had, zoals ook het deskundigendozijn opmerkt. In dit geval oordeelden de rechtbank en de Afdeling Bestuursrechtspraak dus tegenovergesteld en een van de argumenten van de laatste instantie was dat de rechtbank te snel tot een ‘zelfstandige belangenafweging’ was overgegaan en niet de ‘vereiste terughoudendheid’ had betracht. Alleen daaruit blijkt al dat ze dat zelf wel probeerde. De rechter oordeelt niet inhoudelijk wat het beste of meest rechtvaardige is en dat is ook niet zijn taak. Maar juist daarom heeft de minister zijn eigen discretionaire bevoegdheid. Achter de rechter of de wetten kan hij zich niet verschuilen, de wet legt de laatste verantwoordelijkheid juist in zijn handen. En tja, dat de Staten-Generaal zich daar dan mee bemoeien, dat kan gebeuren, zoals ik in mijn vorige blog al betoogd heb. (Ook een raar misverstand: mensen denken dat de regering uitvoerende macht is en het parlement wetgevende macht. Maar volgens artikel 81 van de Grondwet stellen regering en Staten-Generaal samen de wetten vast. Over de controlerende taak van het parlement of over wat het verder maar kan, staat vrijwel niets in de Grondwet. De beide Kamers bepalen uiteindelijk zelf wat ze op grond van hun bevoegdheden en rechten doen.)

-

Nog steeds geeft het een ongemakkelijk gevoel dat een individueel geval, dat waarschijnlijk echt niet het meest schrijnende is dat er bestaat, zo het nieuws beheerst. Het lijkt een beetje hysterisch. Men kan lange verhalen houden hoe dat zo is gekomen, hoe de pleegouders en andere sympathisanten de media gezocht hebben en hoe politici verwachtingen gewekt hebben. Men kan er ook op wijzen dat het een uiting is van de hoge normen die onze samenleving, althans op het moment dat ze met foutieve beslissingen geconfronteerd wordt – en dat is waarschijnlijk vrij toevallig en veel ontgaat ons – aanlegt. Maar het hele punt blijft ook dat het zover allemaal niet had hoeven te komen. De minister had hier allang een einde aan kunnen maken door gewoon te doen wat recht en rede hem ingeven.

Soms is het heel simpel.

(14)

28 oktober 2011

Onbehoren – Over de Tweede Kamer, individuele gevallen en partijcongressen, over Mauro dus

.:.

Vorige week woensdag schreef ik hier een stukje onder de titel Behoren. Het ging over het gegeven dat elk mens in een concrete situatie in de wereld komt, waarmee bepaalde banden met andere mensen, zwakke en sterke banden, al gegeven zijn. Sterke banden heb je met je familie en allerlei verwanten, zwakkere relaties onderhoud je met allerlei groepen. Jij hebt al een verleden op het moment dat je geboren wordt, daar komt het op neer.

Direct had ik al een aantekening gemaakt voor een noodzakelijk tegenstukje: dat er namelijk ook mensen zijn die nergens bij behoren of vooral nergens meer bij behoren. Aan de ene kant heb je misschien een kleine klasse van rijke kosmopolieten, die appartementen in diverse steden in de wereld hebben en voor wie grenzen niet bestaan en voor wie luchthavens zoiets als tramhaltes zijn. Aan de andere kant heb je de stroom vluchtelingen en asielzoekers die op zoek naar een vaste plek, een nieuw toebehoren, over de wereld trekken en die zelfs als ze al jaren of soms decennia in vluchtelingenkampen leven, daar niet thuis horen. Je kunt daar meer over zeggen: hoe toeristen de hele wereld overvliegen, ook naar de landen vanwaar de gemartelden en onderdrukten de grens in omgekeerde richting niet over komen, hoe uit het tegenvoorbeeld van de mensen die nergens bij horen, blijkt hoe ongelooflijk luxueus de pretentie een kosmopoliet of wereldburger te zijn in feite wel niet is, maar ik wilde me nu even tot een concrete zaak beperken, die de naam van een mens draagt: Mauro.

Congressen kopen geen straaljagers volgens Henk Vredeling: F-16 op het Spuiplein in Den Haag (foto: Roel Wijnants)

Ik ken niet alle ins and outs van de zaak. Ik weet niet precies waarom die jongen naar Nederland is gekomen, waarom de procedures bij elkaar zo lang hebben geduurd en waarom hij uiteindelijk bij de rechter ongelijk heeft gekregen. Ik vind het ook te snel om dan te concluderen dat de wet niet helemaal deugt. Het zou kunnen zijn dat wettelijke bepalingen op zich inhoudelijk best kloppen – iedereen is het er over eens dat je inzake asielverzoeken alleen al uit praktisch oogpunt strenge criteria dient aan te leggen – en dat juist door de zorgvuldigheid van de procedures en de bezwaar- en beroepsmogelijkheden die het bestuursrecht in het algemeen al biedt, de zaak zo lang is gaan slepen. Maar wat ik dan wel weet, is dat twee mogelijk op zich deugende wettelijke principes – zorgvuldige inhoudelijke asielwetgeving en zorgvuldige procedures en beroepsmogelijkheden – hier samen tot een situatie van onrecht geleid hebben. En ik zei: mogelijk, want ik weet er te weinig van. Wat ik ook wel weet, en dat is wat volgens mij de meeste Kamerleden ook vinden, is dat je menselijk gesproken een jongen die ergens thuishoort – daar heb je dat behoren weer – niet maar zo uit die situatie losrukt en hem naar een voor hem grotendeels onbekend land stuurt, alleen omdat regels toegepast moeten worden. Ook al zouden die regels op zich goed zijn, hier leveren ze samen een uitkomst op die niet goed is en die geen enkel doel dient en alleen maar mensen kapotmaakt.

-

Ik wil het nu nog over één punt hebben, namelijk over de opmerking dat de Tweede Kamer zich niet met individuele gevallen moet bemoeien. De SGP-er Kees van der Staaij zei daar gisteren dit over:

‘De Kamer moet geen pleitbeslechter worden in individuele situatie. Dan gaat de Kamer op de stoel van de rechter zitten, en van het bestuur, de minister. Dat is staatsrechtelijk onjuist en uit menselijk oogpunt buitengewoon onwenselijk. Bovendien leidt dat tot rechtsongelijkheid en willekeur. Lopen we het risico dat de aaibaarheid en/of de media-aandacht een selectiecriterium wordt om een individuele zaak wel of niet in de Kamer te behandelen. Daarom hebben wij grote moeite om ons in een simpel ja of nee tegen uitzetting in deze situatie uit te spreken. Dat zullen we dan ook niet doen!’

En ik heb maar een klein stukje van het debat live gevolgd, maar ik zag dat hij aan deze lijn consequent volhield. Ik zag ook op Twitter dat sommige mensen heel boos op hem werden, terwijl anderen hem prezen vanwege zijn staatsrechtelijke zuiverheid. Laat ik dit zeggen: ik denk dat Van der Staaij staatsrechtelijk helemaal gelijk heeft, of althans heel veel, maar dat het de vraag is of bij de uiteindelijke keuze die op zich volledig juiste overweging nog wel de doorslag kan geven. De concrete keuze is immer niet die tussen twee staatsrechtelijke opties, maar draagt een moreel gehalte. De Kamer heeft trouwens wel eerder over individuele gevallen gepraat. We herinneren ons allen nog het debat van 28 op 29 juni 2006 over het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali, die kennelijk ooit onder de naam Ayaan Hirsi Magan door het leven was gegaan. Ook dat was een individueel geval, maar ook daar speelden vele anonieme gevallen op de achtergrond een rol. In feite ging het om een regelrecht frauduleuze redenering van de Hoge Raad, waarbij aan mensen tegen alle bedoelingen van de wetgever in alle rechtswegen onthouden werden omdat ze zogenaamd niet juist geïdentificeerd konden worden. (Ik heb daar toen een blog over geschreven, maar die is helaas nog steeds onvindbaar.) Ik vraag me nog wel eens af hoe het met al die anonymi op de achtergrond, die met precies hetzelfde probleem als Hirsi Ali kampten, is afgelopen.

Van der Staaij heeft wat mij betreft gelijk dat de Kamer niet al te snel over individuele gevallen moet gaan beslissen, maar daarbij werd door anderen wel opgemerkt dat Kamerleden bijvoorbeeld via vragen en andere acties ook, en terecht, voortdurend de aandacht op individuele, vaak schrijnende gevallen – dat zijn dus mensen – vestigen. Waar de grens precies loopt, weet ik niet, maar ik vermoed dat hij zou stellen dat bij het stellen van vragen de staatsrechtelijke rollen juist zorgvuldig in acht worden genomen – Kamerleden vragen, bewindslieden antwoorden –, terwijl hier de Kamer op de stoel van de minister is gaan zitten. De discretionaire bevoegdheid is hem niet voor niets gegeven. Die is juist in de wet opgenomen om in gevallen waarin juiste toepassing van alle regels toch tot uitkomsten leidt die onrechtvaardig zijn. Dat is inderdaad de bevoegdheid van de minister.

Heeft de Kamer hier dus een grens overschreden? In zekere zin misschien wel. Maar ook die constatering heeft een beperkte draagwijdte. Staatsrecht is nu eenmaal uit zijn aard flexibel. De Kamer heeft nu eenmaal het recht om zelf te bepalen waar ze over vergaderen wil. Als ze het dus wil hebben over hoe een minister met zijn bevoegdheden omgaat, dan kan ze dat doen. Het is niet altijd gezegd, dat alles wat kan, ook verstandig is, maar staatsrechtelijk geldt uiteindelijk wel dat wat kan, ook mag. En de Kamer kan zelf bepalen waar ze moties over indient en waar ze over stemt. Moties zijn op zich geen dwingende uitspraken. Bewindslieden kunnen die naast zich neerleggen. Maar juist daarom kunnen moties ook over alles gaan. De Kamer maakt hier gebruik van de mogelijkheden die ze heeft. Je kunt dan wel zeggen dat dat staatsrechtelijk onjuist en ongewenst is, als de Kamer het wil, komt er een ogenblik waarop het op zijn minst wel gewenst is en volgens velen ook wel degelijk juist. Op de stoel van de rechter gaat ze in ieder geval niet zitten, omdat de wet met het opnemen van de discretionaire bevoegdheid een allerlaatste beslissing al weer van de sfeer van het zuivere recht naar die van de politiek heeft overgeheveld.

-

Maar er is een veel belangrijkere vraag: waar is de grensoverschrijding eigenlijk begonnen? Wanneer zijn Kamerleden zich met de discretionaire bevoegdheid van de minister gaan bemoeien? En het ziet er naar uit dat daar de crux ligt. Het heeft er alle schijn van dat de minister niet helemaal vrij van zijn discretionaire bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt, maar door een gedoogpartij onder sterke druk was gezet. Daar ligt de crux. In veel opzichten is het afgelopen jaar me meegevallen ten opzichte van de vrees die ik vorig jaar had, het minderheidskabinet fungeert in veel opzichten als een soort buitenparlementair kabinet, dat afhankelijk is van wisselende meerderheden. Het heeft de steun van de ‘oppositie’ voortdurend nodig en krijgt die ook herhaaldelijk, soms van het blokje D66-GL-CU met 25 zetels enerzijds en van de PvdA, die in zijn eentje iets meer zetels (30) heeft dan dit drietal samen, anderzijds. Maar zodra het gaat om de onderwerpen van het gedoogakkoord, zijn ministers met handen en voeten gebonden en zo bang als de dood. Dat geldt nu ook voor Gerd Leers.

Daar ligt de fout: de minister gebruikte zijn discretionaire bevoegdheid niet meer vrij en daarom had de Kamer alle reden om er zich mee te gaan bemoeien. Het waren andere Kamerleden die de grens overschreden. Het wordt gewoon tijd het gedoogakkoord met de PVV op te zeggen of er zich niets van aan te trekken, zodat die club zelf maar conclusies moet trekken. Wilders en zijn groepje slaafse afhankelijken – ook de leden van de fractie zijn op misschien Hero Brinkman na naar verluidt doodsbang voor hem – hebben politiek toch hun langste tijd gehad. Verder zullen ze het qua macht nooit meer schoppen. Wilders zal nooit minister worden en hij zal ook nooit meer aan een volgend kabinet deelnemen. Het akkoord heeft vooral tijd geboden om nog luider door te gaan met het loze geschreeuw. Het hele frame waarin de PVV als een vorm van fascisme gezien wordt, klopt ook niet. Het gaat gewoon om een stelletje oproerkraaiers, leugenaars, tuig van de richel, meer niet. Door Wilders’ onfatsoen tijdens de algemene beschouwingen kwam dat nu meer uit dan ooit. Zijn opzetjes werken niet meer. Niemand heeft het over dat dwaze minarettenreferendum, iedereen heeft het alleen maar over zijn wangedrag.

-

Congressen gaan niet over straaljagers, zei Henk Vredeling ooit, en ze gaan ook niet over individuele asielgevallen, voegen anderen daar nu aan toe. True, in het algemeen dan. Goede stelregel. Maar soms gaan ze daar dus wel over en het CDA-congres van morgen gaat daar om goede redenen nu wel over, gewoon omdat de partij vorig jaar de kardinale fout heeft gemaakt aan te pappen met de verkeerde figuren, die zich bemoeien met zaken die hun niet aangaan. Het is de gedoogpartner, de PVV, geweest die een minister structureel onder druk heeft gezet, en daarom moest de Kamer zich hier wel mee bemoeien en door de verdeeldheid in de fractie moet het congres zich hier nu ook wel mee bemoeien. Zo gaan de dingen soms. Van der Staaij had op zich gelijk dat het niet alleen staatsrechtelijk onjuist is als de Kamer zich met individuele gevallen bemoeit, maar ook ‘uit menselijk oogpunt buitengewoon onwenselijk’, maar het punt is dat de onmenselijkheid hier van een gedoogpartner kwam, die het CDA zelf in die positie gehesen heeft, en daarom moet uit menselijk oogpunt niet alleen de Kamer, maar ook het CDA-congres zich wel eens met zo’n mens bemoeien. Want achter die ene mens die we bij name kennen, gaan wel degelijk andere mensen schuil. Het CDA moet ervoor zorgen dat minister Leers zijn discretionaire bevoegdheid ook weer echt zelf kan uitoefenen, zonder angst voor foute figuren.

Het is een uitgelezen kans niet alleen Mauro te helpen, maar ook de fout van vorig jaar enigszins te herstellen. Weg met dat gedoogakkoord. Dit is niet de tijd voor nieuwe verkiezingen, maar het kabinet kan nieuwe vormen van samenwerking met anderen aangaan. Er ligt een soort verkapt gedoogaanbod – althans op onderdelen en gedoogakkoorden gaan, weten we nu, alleen over een beperkt aantal thema’s – van D66, GL en CU in de gezamenlijke verklaring van een paar weken geleden. Nu is het de tijd dat het CDA echt ‘verantwoordelijkheid kan nemen’, om maar eens een uitdrukking te gebruiken waar men binnen die kringen dol op is, en zich naar de oppositie toe open kan opstellen. Dit is ook de tijd waarin de PvdA, D66, GL, CU en andere oppositiepartijen kunnen laten zien dat ze het landsbelang hoger achten dan allerlei partijgedoe, zoals die partijen het afgelopen jaar al vaak hebben laten zien. Daar zullen ze op enige termijn ook bij de kiezer wel degelijk indruk mee kunnen maken. Terwijl Wilders en de PVV alleen maar stomme spelletjes spelen, voortdurend met non-issues op de proppen komen, kunnen zij laten zien dat de eurocrisis en dat het gewone alledaagse beleid voor hen vooropstaat. Als je het populisme links laten liggen als de quantité negligeable die het is – het is geen uiting van diep onbehagen, dat is het eeuwige misverstand, maar een kwestie van oppervlakkig geschreeuw en weinig wol – zal het ongetwijfeld niet direct als sneeuw voor de zon verdwijnen, maar op den duur zal het door zijn krachteloosheid wel degelijk wegebben. Tegen een serieuze politieke cultuur, die zijn kracht toont, kan het echt niet op. Die toont namelijk dat je je om de echte, niet de verzonnen, problemen van mensen en van kiezers bekommert.

Onze politiek cultuur is opener, democratischer, parlementairder en florissanter dan ooit. Alleen die ene rotte appel moeten we even aan de kant smijten. Dat is alles.

Dat is niet alleen goed voor Mauro, maar voor alle mensen in dit land.

(13)

25 oktober 2011

Het aardige van de paus

.:.

Afgelopen vrijdag ontving paus Benedictus XVI de nieuwe Nederlandse ambassadeur, Joseph Weterings, die zijn geloofsbrieven kwam aanbieden. Daarover verschenen uiteraard wat korte nieuwsberichten over en op één ervan reageerde de theoloog Ruard Ganzevoort op Twitter met de volgende woorden (waarbij ik een evidente tikfout verbeter):

‘Als Vaticaan land is, gaat de Paus niet over onze moraal. En als het een kerk is, hoeft er geen ambassadeur heen.’

En op een vraag naar nadere toelichting, repte hij nog over ‘misbruik’ van een ‘dubbelrol’. Het lijkt me vooral een reactie die teruggaat op oude protestantse reflexen.

We weten allemaal dat er in november 1925 nog eens een Nederlands kabinet, het eerste van Hendrik Colijn, gevallen is over het gezantschap bij de Heilige Stoel, dat tien jaar eerder door het liberale, buitenparlementaire kabinet-Cort van der Linden hersteld was. Een amendement van de SGP-er G.H. Kersten op de begroting van Buitenlandse Zaken om de financiering van het gezantschap te schrappen werd toen met 52 tegen 42 stemmen aangenomen. Dat de gehele oppositie, bestaande uit – naar grootte – SDAP, Vrijheidsbond, VDB, SGP, HGSP, Plattelandersbond en CPH, een bont gezelschap van socialisten, liberalen, calvinistische antipapisten en enkele anderen, elkaar vond, was natuurlijk niet het probleem. Wat de doorslag gaf, was dat er onder de indieners ook drie leden van een coalitiepartij, de CHU, waren en dat op fractievoorzitter J.Th. de Visser na, die zich van stemming onthield, de hele christelijke-historische fractie voorstemde, waar nog bij kwam dat ook twee leden van de andere protestants-confessionele regeringspartij, de ARP, zich aan stemming onttrokken. De vier ministers die uit de RKSP kwamen, dienden daarop hun ontslag in.

Portret van paus Benedictus XVI in de Basilica di San Paolo fuori le Mura (foto: Sebastian Bergmann)

Misschien is het achteraf gezien de laatste belangrijke gebeurtenis waarbij de oude tegenstelling die Nederland zo lang verdeelde, zo pregnant aan het licht kwam. De situatie was toen overigens anders dan nu. De internationaalrechtelijke status van de Heilige Stoel was sinds de verovering van de Pauselijke Staat in 1870 immers nogal onduidelijk. Pas sinds 1929 is Vaticaanstad – dat is de meer informele aanduiding in de wandeling – weer een duidelijke gedefinieerde internationaalrechtelijke entiteit, een land of staat zo men wil. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de banden weer hersteld en niemand zal ontkennen dat je met andere staten in het algemeen diplomatieke relaties onderhoudt.

Vaticaanstad, om nu toch maar even de alledaagse aanduiding te gebruiken, blijft natuurlijk wel een afwijkende staat. Je kunt daar ook iets aardigs in zien. Het is een niet-erfelijke monarchie, in vroeger eeuwen een bekende figuur, maar tegenwoordig niet zeer gangbaar meer, en alleen in die zin heeft het bestaan al iets schattigs. Het staatshoofd wordt bovendien gekozen door een college van mensen die een andere nationaliteit bezitten. Het valt waarschijnlijk na te kijken, maar ik zou eerlijk gezegd niet weten of pausen hun oorspronkelijke nationaliteit behouden. Heeft Joseph Ratzinger nog een Duits paspoort? Vaticaanstad is bovendien een van de weinige katholieke landen waar kerk en staat niet gescheiden zijn, iets wat in protestantse landen trouwens weer tamelijk gebruikelijk is, maar daar zijn er niet zoveel van.

-

Het aardige is dat Joseph Ratzinger – ik ben protestants genoeg om een naamswisseling op achtenzeventigjarige leeftijd niet helemaal mee te maken – in zijn toespraakje juist inging op het uitzonderlijke karakter van de Heilige Stoel. Dat het niet om een natiestaat gaat en dat Vaticaanstad geen economische of militaire macht – onwillekeurig denken we even aan de bij meerdere gelegenheden aan Joseph Stalin toegeschreven vraag hoeveel divisies de paus heeft – heeft, voert hij juist op als een voordeel.

‘Yet as you yourself have indicated, its moral voice exerts considerable influence around the world. Among the reasons for this is precisely the fact that the Holy See’s moral stance is unaffected by the political or economic interests of a nation-state or the electoral concerns of a political party. Its contribution to international diplomacy consists largely in articulating the ethical principles that ought to underpin the social and political order, and in drawing attention to the need for action to remedy violations of such principles.’

Daar heb je dus die moraal, de ethische beginselen, waar Ganzevoort het over had. Op zich is dat beroep erop in de internationale verhoudingen ook niet vreemd. Landen spreken elkaar voortdurend aan in morele termen, het meest helder als het gaat om mensenrechten. Het enige verschil is dat de Heilige Stoel daarnaast niet over fysieke machtsmiddelen kan beschikken.

Ratzinger legt vervolgens uit waar die ethische principes op gebaseerd zijn:

‘It does so, evidently, from the standpoint of the Christian faith, but as I observed in my recent address to the German Parliament, Christianity has always pointed to reason and nature as the sources of the norms on which a state of law should be built (Address to the Bundestag, 22 September 2011).’

Ook dat konden we verwachten. Rede en natuur, daar legt de katholieke leer vanouds een sterke nadruk op en dan met name in de dialoog met de buitenwereld. Het is tevens een funderingsidee dat in onze dagen niet meer algemeen gangbaar of niet onomstreden is. Dat is niet alleen een gevolg van Romantiek en vooral historisme – uitvoerig besproken in Leo Strauss’ bekende Natural Right and History (1953) – maar een ontwikkeling die al in de Verlichting begon. Enerzijds had je toen nog een sterke en invloedrijke stroming die zich, materieel in een wat andere zin, op het natuurrecht baseerde en moraal als vanouds nog op de rede wilde baseren, maar anderzijds legden David Hume en anderen juist alle nadruk op gevoel en emoties (reden waarom Hume en geestverwanten er bij Jonathan Israel, die im Grunde genommen niet veel met de Verlichting heeft, dan ook slecht vanaf komen, maar dit terzijde). En dat is de tendens die de historische ontwikkeling achter zich kreeg en die in onze dagen in feite overheersend is. De gangbare moraal heeft niet de pretentie een redelijke basis te hebben, al speelt de redelijke dialoog als instrument bij de onderlinge afstemming nog wel een grote rol. Toch zou je nog wel degelijk een zekere naturalistische invalshoek waar kunnen nemen, maar natuur en rede worden niet meer zo vast op elkaar betrokken als in de een meer dan twee millennia omspannende westerse denktraditie gangbaar was. En vooral is de opvatting van wat natuur is, dan meestal minder statisch dan wat de katholieke opvatting er via Thomas op Aristoteles teruggaande onder verstaat. Op dat punt doen zich ook de bekende hedendaagse botsingen voor.

-

Overigens heeft Ratzinger dat zelf ook wel eens geconstateerd. Menigeen zal zich nog de verbazing herinneren die ontstond over wat hij in januari 2004 in München tijdens zijn befaamde gedachtewisseling met Jürgen Habermas opmerkte:

‘Das Naturrecht ist – besonders in der katholischen Kirche – die Argumentationsfigur geblieben, mit der sie in den Gesprächen mit der säkularen Gesellschaft und mit anderen Glaubensgemeinschaften an die gemeinsame Vernunft appelliert und die Grundlagen für eine Verständigung über die ethischen Prinzipien des Rechts in einer säkularen pluralistischen Gesellschaft sucht. Aber dieses Instrument ist leider stumpf geworden, und ich möchte mich daher in diesem Gespräch nicht darauf stützen. Die Idee des Naturrechts setzte einen Begriff von Natur voraus, in dem Natur und Vernunft ineinander greifen, die Natur selbst vernünftig ist. Diese Sicht von Natur ist mit dem Sieg der Evolutionstheorie zu Bruche gegangen. Die Natur als solche sei nicht vernünftig, auch wenn es in ihr vernünftiges Verhalten gibt: Das ist die Diagnose, die uns von dort gestellt wird und die heute weithin unwidersprechlich scheint. Von den verschiedenen Dimensionen des Naturbegriffs, die dem ehemaligen Naturrecht zugrunde lagen, ist so nur diejenige übrig geblieben, die Ulpian (frühes 3. Jahrhundert nach Christus) in den bekannten Satz fasste: “Ius naturae est, quod natura omnia animalia docet.” Aber das gerade reicht für unsere Fragen nicht aus, in denen es eben nicht um das geht, was alle “animalia” betrifft, sondern um spezifisch menschliche Aufgaben, die die Vernunft des Menschen geschaffen hat und die ohne Vernunft nicht beantwortet werden können.’

De intellectuele opwinding was groot en sommige van de aanwezige theologen en filosofen konden hun oren bijna niet geloven. Het toenmalige hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer dat bijna achteloos constateerde dat de natuurrechtsidee als gereedschap bot was geworden! Merk trouwens op dat hij de breuk vooral door toedoen van de natuurwetenschappen, de evolutietheorie, ziet ontstaan.

Toch hoef je niet direct te constateren dat Ratzinger als paus en hoofd van Vaticaanstad nu op zijn schreden is teruggekeerd – en wel moest, zou je dan onwillekeurig denken. Hij vervolgde destijds namelijk als volgt:

‘Als letztes Element des naturrechts, das im Tiefsten ein Vernunftrecht sein wollte, jedenfalls in der Neuzeit, sind die Menschenrechte stehen geblieben. Sie sind nicht verständlich ohne die Voraussetzung, dass der Mensch als Mensch, einfach durch seine Zugehörigkeit zur Spezies Mensch, Subjekt von Rechten ist, dass sein Sein selbst Werte und Normen in sich trägt, die zu finden, aber nicht zu erfinden sind.’

Dat lijkt me een volkomen juiste constatering. Mag het dan juist zijn dat voor de alledaagse, persoonlijke moraal het idee van een rationele fundering aan kracht heeft verloren, in het idee van de mensenrechten – en in de rechtsfilosofie – spelen traditionele opvattingen omtrent natuur en rede tot op heden wel sterk door. En juist daar kan de paus als de internationaal politicus die hij ook is, bij aanknopen. In zijn rede in september in de Duitse Bondsdag, waar hij vrijdag naar verwees, deed hij dat dan ook. Ook daar stelde hij eerst vast dat de gedachte van het natuurrecht vandaag de dag als ‘eine katholische Sonderlehre’ geldt, waarvoor men zich bijna zou schamen die nog te berde te brengen. Vervolgens legt hij dan uit hoe dat zo gekomen is, en uiteindelijk doet hij toch een poging, ook in aansluiting bij de ecologische beweging – een product van de Romantiek, zou je meer dan schertsend kunnen stellen – toch een zeker eerherstel voor het natuurrecht, het beroep op natuur en rede, te bepleiten. Ik moet daar nog maar eens afzonderlijk naar kijken, want wijsgerig is dat allemaal niet oninteressant. Hier laat ik het maar bij de vaststelling dat Ratzinger dus wel degelijk consistent is. Het is duidelijk dat hij het niet wil laten bij een herhaling van de oude aristotelische en thomistische opvattingen, maar naar een nieuwe omgang met oude kernideeën van onze westerse traditie zoekt. Ratzinger, sterk beïnvloed door Augustinus, is al sinds zijn jonge dagen beslist geen hardcore neothomist, vertelt men altijd, zoals zijn voorganger Karol Wojtyla, een eigenzinnig fenomenoloog, dat trouwens ook niet was.

-

Toch zal men in de woorden die hij tot de Nederlandse ambassadeur richtte, die oude Griekse en Romeinse traditie van het natuurrecht of natuurlijk recht wel herkennen. Of beter, Ratzinger verwijst er met zoveel woorden naar:

‘In acting as a voice for the voiceless and defending the rights of the defenceless, including the poor, the sick, the unborn, the elderly, and the members of minority groups who suffer unjust discrimination, the Church seeks always to promote natural justice as it is her right and duty to do.’

En ook in de passage die deels ook in het korte berichtje op Nu.nl werd geciteerd, zal men onmiddellijk Aristoteles door zien schemeren:

‘While your nation has long championed the freedom of individuals to make their own choices, nevertheless, those choices by which people inflict harm on themselves or others must be discouraged, for the good of individuals and society as a whole. Catholic social teaching, as you know, places great emphasis on the common good, as well as the integral good of individuals, and care is always needed to discern whether perceived rights are truly in accordance with those natural principles of which I spoke earlier.’

Men kan dergelijke ideeën uiteraard verschillend uitwerken, maar het lijkt me dat ze ook nu nog vruchtbaar zijn. Lange tijd ben ik in mijn oppervlakkigheid nogal onder de indruk geweest van het waardenpluralisme van Isaiah Berlin en het idee dat je tussen doelen – ‘ends’ – een tragische keuze moet maken, maar het is natuurlijk de vraag of dat echt zo is, of het wel om ultieme waarden gaat of toch eerder om relatieve, en of de keuze tussen waarden uiteindelijk toch niet meer in een rationele afstemming onder het gezichtspunt van het bonum commune kan plaatsvinden. In die zin kun je Berlins ideeën waarschijnlijk wel breder inkaderen.

Hoe het ook zij, de traditie met haar beroep op natuur en rede verdient naar mijn idee ook in de hedendaagse politiek-filosofische discussie wel aandacht. En ik moet dan zeggen dat ik het persoonlijk heel aardig vind dat er tenminste nog één staatshoofd is met wijsgerige diepgang die parlementen en machthebbers met meer fundamentele ideeën kan benaderen en die de principes van de rede hoog houdt. Niet voor niets typeerde Marc De Kesel hem in Goden breken. Essays over het monotheïsme (Amsterdam 2010) met een ietwat gekunstelde term al als antimisoloog, iemand dus die zich tegen de haat tegen de logos keert. Ik moet hier later nog maar eens uitvoeriger op terugkomen

-

Laat ik met een lichtere noot eindigen, waar trouwens het hele idee voor dit stukje mee begon. Ik zat vorige week te lezen in The Peace Process (2010) van Afif Safieh, de Palestijnse diplomaat die ook de Palestijnse missie in Den Haag in Nederland een tijdlang heeft geleid en die ook ‘ambassadeur’, hoofd van de missie, bij de Heilige Stoel is geweest. In het boek staat een foto van hem en paus Johannes II uit 1995, toen hij net als de Nederlandse ambassadeur nu zijn geloofsbrieven kwam aanbieden. Ik kan die helaas niet op het web vinden. Safieh, een katholiek, staat er bedachtzaam, maar ook trots en onder de indruk bij met de bekende Palestijnse sjaal bijna als een liturgisch attribuut over zijn pak. De paus, de vorige dus, staat er naast in zijn witte gewaad met een wat bezorgde, priemende blik, die ik niet goed kan doorgronden.

Ik dacht toen: dat is toch ook wel aardig. Dat zo’n man, het hoofd van een groot geestelijk instituut, een filosofieprofessor van beroep, zich tussendoor ook voortdurend om allerlei aardse, politieke zaken moet bekommeren. Hij kan het zich niet veroorloven alleen op ijle hoogte te verkeren, steeds moet hij terugkeren naar de alledaagse politiek en de mundane realiteit van deze wereld. Dat is nu juist het aardige: steeds weer wordt hij door zijn ‘dubbelrol’ gedwongen met beide benen op de grond te blijven.

Maar het omgekeerde is natuurlijk nog aardiger: dat er tenminste één staatshoofd is dat fundamentele, diepgravende verhandelingen houdt.

(12)

24 oktober 2011

Eén tegen 1027 – over de waarde van een mensenleven

.:.

Er klopt soms niets van het nieuws, ook al zijn alle feiten op orde. Als zo ongeveer één dag lang een groot deel van het nieuws draait om één soldaat die wordt uitgeruild tegen vooreerst 477 en op termijn 1027 andere gevangenen, is er iets fundamenteel mis met ons beeld van de wereld. Zoals er ook iets niet helemaal in verhouding is als een gebiedje tussen de Middellandse Zee en het kronkelige en trouwens weinig indrukwekkende riviertje de Jordaan, ten zuiden van de Libanon en ten noorden van de Sinaï, met in totaal een kleine 12 miljoen mensen op een oppervlakte van een goede 28 duizend vierkante kilometer voortdurend in het middelpunt van het wereldnieuws staat. In beide gevallen gaat het om pakweg driekwart van wat het kleine Nederland te zien geeft. Het Heilige Land herbergt net iets meer mensen dan er in België wonen, maar dan op iets minder ruimte dan dat land te bieden heeft.

Het Heilige Land. Kaart uit 1475 (foto: peacy)

Misschien nog beeldender gezegd: een strook land ter grootte van Albanië met een bevolkingsomvang tussen die van Senegal en Cuba haalde het afgelopen jaar – ik heb er eerder op gewezen – de vijfde, of anders berekend zelfs de vierde, plaats in de lijst met landentags van The Guardian. Het zal voor veel Nederlandse, Europese of westerse media niet anders zijn. Als we eens zo’n wereldkaart zouden tekenen waarbij de landen de grootte van de perceptie van de waarnemer aannemen – in dit geval dus The World According to News Coverage – en dan de nieuwsaandacht of, meer nog, de commentaren en opinies in Nederland als uitgangspunt namen, vrees ik dat Israël – al dan niet samen met de Palestijnse gebieden – een wereldgigant zou zijn, terwijl India met ruim een zesde van de wereldbevolking tot een dwerg zou verschrompelen. Dat klopt dus niet.

Maar je kunt natuurlijk ook het omgekeerde stellen: dat dit wel degelijk de juiste verdeling is. Dít vinden wij belangrijk, híer zijn wij bij betrokken. Over de redenen heb ik eerder iets geschreven, dat ik soms met vrees en beven, soms met iets meer begrip voor mezelf van toen, herlees en dat ga ik hier nu niet herhalen. Het is nu eenmaal zo. Het is ook duidelijk dat vrijwel alle belangstelling via Israël verloopt. Er zijn twee partijen, maar het perspectief loopt via een van beide, of dat nu instemmend of afkeurend of gemengd is. Een treinongeluk bij Hadera is in staat het Nederlandse nieuws te halen, terwijl een gelijksoortig ongeval zelfs bij Mechelen of Keulen ons nog niet ter ore zou komen. Vul in de vorige zin ‘bosbrand in Galilea’ in en het zal helemaal duidelijk zijn. Zo zijn de dingen. Bij Israël zijn we betrokken.

-

Ik wilde het nu maar eens niet primair over de politiek en de deal als zodanig hebben. Daar is al genoeg over gezegd en natuurlijk weer vanuit alle mogelijke perspectieven. Mij trof één woordje in een commentaar van Clemens Wergin in Die Welt van vorige week woensdag, dat ik in het navolgende citaatblokje alvast cursiveer. Wie er de voorkeur aan geeft hetzelfde – op de eerste zin na – in half-Romaanse of ronduit Romaanse bewoordingen te lezen, kan voor de Engelse of Franse vertaling terecht op het onvolprezen Eurotopics, waar ik de kern van het commentaar uiteraard ook het eerst ontwaarde.

‘Aber was aussieht wie eine strategische Niederlage, ist tatsächlich ein moralischer Sieg Israels. Der Staat, der von so vielen Menschen auf der Welt und auch in Europa angefeindet wird, hat deutlich gemacht, um wie viel ihm das Leben eines eigenen Bürgers mehr wert ist als seinen islamistischen Feinden das der Ihrigen. Genau 1027 Mal mehr.
Die Hamas und andere palästinensische Extremisten schicken ihre Leute als Selbstmordattentäter in den Tod, um möglichst viele israelische Männer, Frauen und Kinder zu töten. Israel lässt nun viele verurteilte Terroristen und Terrorplaner frei, um einen einzigen Soldaten zu retten. Das ist das wahre Verhältnis zwischen Moral und Amoral, zwischen Menschlichkeit und Niedertracht in diesem Konflikt. Hier wird das ethische Gefälle erneut deutlich, mit dem sich Israel konfrontiert sieht. Hier zeigt sich, welcher Kraftanstrengung es bedarf, um die eigenen hohen Standards aufrechtzuerhalten gegenüber einem Gegner wie der Hamas, der keine Tabus anerkennt.’

Over dat ene woordje – Amoral, amoraliteit dus – kom ik tegen het eind vanzelf wel te spreken, want nadat ik de notitie voor dit stukje gemaakt had, kwam er van alles aan commentaren tussen en daarom wil het eerst hebben over de morele vergelijking die hier gemaakt wordt: die tussen de waarde van het leven van die ene en dat van die andere 1027. Maar houd dat ene woordje alvast als een soort leeswijzer in gedachten. Dit was namelijk wel de eerste keer dat ik de deal aldus in morele termen in het voordeel van een van de partijen geduid zag, maar zeker niet de laatste. Op de site van Elsevier schreef Robert de Witt een commentaar met behulp van dezelfde vergelijking en met dezelfde strekking. De deal zou de ‘morele kracht van Israël’ bewijzen. Hij formuleert hetzelfde net omgekeerd:

‘Maar elke moeder van een Palestijnse gevangene beseft ook dat de machthebbers in Gaza het leven van haar zoon duizend keer minder waard acht dan dat van een Israëliër. De morele overwinning is voor Israël.’

-

En wie even wat in verschillende talen googelt, kan de vergelijking nog wel vaker vinden. Het was daarom op zijn minst verrassend dat Nausicaa Marbe vrijdag in de Volkskrant de vergelijking, die ik tot dusverre in Israëls voordeel had zien langs komen, juist vanuit hetzelfde pro-Israëlische perspectief hekelde:

‘Ook bij de ruil van 1.027 Palestijnse gevangenen voor Gilad Shalit klonk het suggestieve gezanik: kijk eens aan, een Israëli is meer waard dan duizend Palestijnen.’

Wat voor anderen de morele kracht van Israël bewijst, is voor haar dus gezeur dat de omgekeerde conclusie zou onderbouwen. De vraag naar proportionaliteit van de gevangenenruil – ‘Hoeveel Palestijnen heeft Israël over voor een dode of levende Israëlische soldaat?’ – noemde zij zelfs een ‘vraag met vuige implicaties’:

‘Omdat het antisemitische antwoord er al in besloten ligt: zie je wel, voor Joden is een Joods leven meer waard dan dat van duizend Arabieren.’

En aan het slot van haar betoog rekent ze nog eens definitief af met de vergelijking:

‘In deze context is de vraag of een Joods en een Palestijns leven evenveel waard zijn geen gewetensvraag maar een strikvraag om Israël te beschadigen.’

Ik weet niet wat Marbe precies gelezen of gehoord had. Bij Sargasso vond ik een verslag van Lydia de Leeuw vanuit Gaza dat zo begint:

‘De wisselkoers werd eergisteren vastgesteld op 1:1027. Eén Israëlische krijgsgevangene blijkt 1.027 Palestijnse gevangenen waard te zijn, volgens de deal die Hamas en Israël gisteren met elkaar sloten.’

Maar het perspectief van het stuk is dan wel anders – vanuit Gaza, niet vanuit Israël –, aan de 1:1027-vergelijking worden als zodanig eigenlijk geen ethische implicaties vastgeknoopt. Een wisselkoers is een praktisch gegeven, geen moreel.

-

Wat is hier aan de hand? Wordt dezelfde vergelijking hier moreel heel anders ingezet? De ene keer pro-Israëlisch en de andere keer anti-Israëlisch? En dus ook de ene keer anti-Palestijns of, preciezer, anti-Hamas, en de andere keer pro-Palestijns, of opnieuw nauwkeuriger, pro-Hamas? Wil een en ander zeggen dat je exact dezelfde vergelijking zelfs moreel kunt gebruiken zoals je muts maar staat? Of gaat het om verschillende vergelijkingen? Laten we nog eens nauwkeuriger kijken. De vergelijking die Wergin en De Witt maken, zou je als volgt kunnen formuleren in twee zinnen die in feite hetzelfde zeggen.

(1) Voor Israel is een mensenleven veel (1027 keer) meer waard dan voor Hamas.
(2) Voor Hamas is een mensenleven veel (1027 keer) minder waard dan voor Israël.

Twee keer hetzelfde object – een mensenleven – maar bezien vanuit twee verschillende subjecten – Israël en Hamas. Je kunt de comparatief ook verwijderen door hetzelfde te vertalen in twee beweringen die ieder uit twee korte opzichzelfstaande proposities bestaan:

(3) Voor Israël is een mensenleven heel veel waard (waarde: 1027) en voor Hamas bijna niks (waarde: 1).
(4) Voor Hamas is een mensenleven bijna niks waard (waarde: 1) en voor Israël heel veel (waarde: 1027).

Alleen de volgorde is dan omgedraaid, de inhoud is dezelfde. Als je het zo bekijkt, lijkt de redenering van Wergin en De Witt in ieder geval tamelijk plausibel. Men vergelijkt mensenlevens en die worden in de deal verschillend gewogen. De enige vraag is dan of je vanuit de praktische getallen van de deal tot een morele waardering kunt besluiten. Maar als je dat doet, ligt hun redenering, zou je op het eerste gezicht zeggen, enigszins voor de hand.

Of? Of klopt er nu iets niet? Als je goed kijkt, zou je kunnen opmerken dat ik iets weggelaten heb. Het gaat niet maar zo om mensenlevens in het algemeen, het gaat om eigen mensenlevens. Wergin zegt dat ook met zoveel woorden: Israël heeft volgens hem laten zien, dat ‘das Leben eines eigenen Bürgers mehr wert ist als seinen islamistischen Feinden das der Ihrigen’. En De Witt zegt in feite hetzelfde: Hamas heeft laten zien dat het leven van Palestijnse zonen duizend keer minder waard is dan dat van een Israëliër. Als je in mijn vier voorbeeldzinnen voor ‘mensenleven’ het woordje ‘eigen’ invult, verandert er fundamenteel niets aan de redenering. Israël vindt eigen mensenlevens veel waard, Hamas niet, daar blijft het op neerkomen. De structuur van hun redeneringen heb ik wel degelijke nauwkeurig geanalyseerd. Maar je kunt misschien wel zeggen dat ik enigszins geabstraheerd heb van wat ze in concreto zeggen.

-

Hoe zit het dan met de redenering van Marbe? Keert zij zich tegen dezelfde argumentatie? Of heeft zij een net iets andere gedachtegang – waarvan ik dus de concrete herkomst niet ken – op het oog? De argumentatie waar zij zich tegen keert en die dus nadrukkelijk niet de hare is, zou je opnieuw in een dubbeltal dat parallel loopt aan de eerste twee hierboven, kunnen weergeven:

(5) Voor Israel is een Israëlisch mensenleven veel (1027 keer) meer waard dan een Palestijns.
(6) Voor Hamas is een Palestijns mensenleven veel (1027 keer) minder waard dan een Israëlisch.

Het verschil is nu dat het niet meer gaat om hetzelfde object – een (eigen) mensenleven in het algemeen –, maar om twee verschillende concrete objecten – Israëlische en Palestijnse mensenlevens – in de ogen van beide partijen of subjecten, die dan over die oordelen overeenstemmen. Het formele onderscheid wordt hier materieel ingevuld. Dat het misschien wat wrang klinkt om over mensenlevens in technische termen als objecten te spreken, verheldert de argumentatie in feite alleen maar. Dezelfde deal, dus dezelfde morele implicatie omtrent de waarde. Maar dan geldt dus ook het volgende:

(7) Voor Israël is een Israëlisch mensenleven heel veel waard (waarde: 1027) en voor Hamas dus ook.
(8) Voor Hamas is een Palestijns mensenleven bijna niks waard (waarde :1) en voor Israël dus ook.
(9) Voor Hamas is een Israëlisch mensenleven heel veel waard (waarde: 1027) en voor Israël dus ook.
(10) Voor Israël is een Palestijns mensenleven bijna niks waard (waarde :1) en voor Hamas dus ook.

Wat laat dit zien? Dat Marbe in feite tegen een stropop schrijft? Als mensen immers impliceren dat voor Israël een Palestijns mensenleven bijna niks waard is, zeggen ze daarmee immers ook dat Hamas daar blijkens de deal net zo over denkt. Je kunt dan de redenering omdraaien en zeggen dat Hamas en Israël het erover eens zijn dat Israëlische mensenlevens heel veel waard zijn. Maar het zou natuurlijk ook best kunnen dat Marbe dergelijke redeneringen wel onder ogen gehad heeft; ik neem het eigenlijk aan. Maar wat heeft ze dan laten zien? Dat de vergelijking niet deugt? Of onbedoeld juist dat er toch wel wat in zit? Het gaat toch om een ongelijke deal? Of heeft ze, we blijven aan het omdraaien, in feite laten zien dat er onder de formele redenering van Wergin en De Witt over eigen mensenlevens wel degelijk een inhoudelijk oordeel over de relatieve waarde van Israëlische en Palestijnse schuilgaat?

Zo kun je nog een tijdje in detail doorredeneren en telkens weer het perspectief laten kantelen, maar ik denk dat het wel genoeg is. In het ene perspectief is het dus heel mooi dat Israël aan eigen mensenlevens veel meer waarde toekent dan Hamas dat doet. Vanuit het andere gezichtspunt is het juist cynisch dat Israël aan eigen, Israëlische levens veel meer waarde toekent dan aan andere, Palestijnse levens. Het punt is uiteraard dat je mensenlevens niet op die manier kunt beoordelen. Elk mensenleven is voor de drager in principe hetzelfde waard en voor de geliefden en vrienden is elk leven ook onvervangbaar. De sluitsom van een praktische deal naar een moreel oordeel deugt gewoon niet en kan wel degelijk tegen zichzelf gekeerd worden. In die zin heeft Marbe, zonder daar mogelijk op uit te zijn, in feite ook laten zien dat de pro-Israëlische inzet van de redeneringen van Wergin en De Witt niet klopt. En volgens mij voelt iedereen dat ook wel op zijn klompen aan.

-

Je hebt natuurlijk ook mensen als Maarten Jan Hijmans, alias @AbuPessoptimist, die heel nuchter – en ik weet het al: anderen zullen dát weer cynisch noemen – opmerken dat de ene partij nu eenmaal over veel meer gevangenen beschikt dan de andere en dat gevangenen een ‘commodity zijn waarover Israel in ruime mate kan beschikken’. Hamas had nu eenmaal maar één Israëlische gevangene, Israël had er wel zesduizend, zoals ook Lydia de Leeuw zakelijk, zonder oordelen toe te voegen, opmerkt. Wie dan weer oordelen wil geven, kan ook de redenering bedenken, dat Hamas alles gaf wat men aan ‘waarde’ in huis had en Israël maar een zesde.

En de vergelijkingen kunnen natuurlijk eindeloos doorgezet worden. Dat de Shvuel Schijveschuurder verdrietig, boos en teleurgesteld is dat Ahlam Tamimi – die de zelfmoordterrorist die zijn beide ouders, twee zusjes en een broertje doodde bij de aanslag op de Sbarro-pizzeria in 2001, naar Jeruzalem reed – over de grens met Jordanië is gezet, en hij nu de lichamen van zijn familieleden wil opgraven en naar Nederland overbrengen, kan men maar al te goed begrijpen. Hijmans zet daar onder meer de aanslag op Salah Shehadah in 2002 tegenover, toen Israel met een ‘1000-ton wegende bom’ meteen veertien anderen, waaronder zijn echtgenote en negen kinderen, ombracht. Ik moest eerlijk gezegd even opzoeken waar het ook al weer over ging. En o ja, ik weet het al: onmiddellijk zal men protesteren en zeggen dat de vergelijking niet opgaat, omdat het in het eerste geval ging om een terroristische aanslag op onschuldige mensen die in een restaurant wat zitten te eten, en in het laatste geval om een militaire aanval op de leider van de Is ad-Din al-Qassam Brigades, de militaire vleugel van Hamas. Waar, veel verschillen, maar let wel: Hijmans zegt alleen dat het ook ‘gruwelijk’ was en daar zal toch niemand aan twijfelen, hoezeer men verdere vergelijkingen mank vindt gaan. Ook wie meent dat Salah Shehadah een terrorist was, die niet anders verdiende, zal toch niet in ernst beweren dat Palestijnse verwanten om hem, zijn vrouw, zijn kinderen en de anderen maar 1/1027e van de tranen lieten vloeien die in Israël om slachtoffers van aanslagen geschreid worden? Omdat voor Palestijnen een mensenleven nu eenmaal niet meer waard zou zijn?

Eindeloos kan men vergelijkingen maken: tussen de gevangenen, tussen de slachtoffers en de gedoden, tussen de daders ook. En vaak zal de tegenwerping dan zijn dat deze vergelijking zo niet opgaat, maar dat men daarentegen die en die vergelijking wel zal moeten maken. Waar, maar al te waar. Alles is anders, de partijen zijn anders, de krachtsverhoudingen, de zienswijzen, er valt niet uit te komen. Terwijl de een het veelzeggend zal vinden dat Israël zo ruim over gevangenen, waarvan velen al jarenlang zonder enige vorm van proces vast zitten, kan beschikken, zal een ander daarin juist een bewijs zien hoe groot het gevaar wel niet is. Terwijl Nausicaa Marbe het heeft over een groep mannen en vrouwen die ‘in blakende gezondheid’ uit Israëlische gevangenissen naar buiten komt en ‘zich erop verheugt terroristische activiteiten te hervatten’, bericht Lydia de Leeuw over Palestijnse protesten ‘tegen de onmenselijke behandeling in Israëlische gevangenissen.’ Robert de Witt maakt van de vrijkomende Palestijnse gevangenen – op grond van een Elsevier-stukje dat alleen over sommigen wat concreets zegt – meteen maar ‘1.027 gewelddadige terroristen’, terwijl toch eerder waar is, wat boven een stuk in de Belgische krant De Morgen staat, namelijk dat het om ‘duizenden politiek gevangenen en een handvol moordenaars’ gaat – al is dat getalsmatige meervoud wat overdreven.

-

Maar oei, nu ben ik van een tamelijk formeel verhaal over – morele – vergelijkingen en de onmogelijkheid daarvan toch al weer bij de politieke inhoud beland en dat wilde ik eigenlijk niet. Of toch wel een beetje. Ik wilde namelijk nog terugkomen op dat ene woordje waar ik bij lezing van het commentaar in Die Welt bij bleef haken: Amoral. Ik had er eerlijk gezegd nooit eerder bij stilgestaan, maar nu viel mijn oog erop. Amoraliteit: dat is eigenlijk nog erger dan immoreel, unmoralisch in het Duits, zijn. Het betekent dat je totaal geen moraal hebt, iets wat we soms aan psychopaten toeschrijven: de afwezigheid van elke vorm van empathie. Dat is dus heel erg, het zou dus betekenen dat de mensen van Hamas volgens Wergin alle elementaire menselijke eigenschappen ontberen, maar het kan best zijn dat ik zijn intenties niet goed begrijp en dat hij het woord als de substantieve verwoording van immoraliteit gebruikt; zo vertaalden ze het bij Eurotopics in ieder geval in het Engels en Frans en het volgende woordenpaar wijst daar ook op, al maakt dat het er ook weer niet veel beter op: Menschlichkeit versus Niedertracht. Dat laatste woord betekent zoveel als laagheid of slechtheid, maar dat het tegenover menselijkheid staat, zegt al veel.

Uiteraard snap ik wel waarom mensen zo denken, maar is het ook verstandig en doet het het conflict recht? Doet het de actoren recht? Oorlog is een zakelijk conflict, geen moreel, zou je kunnen zeggen. Nou is dit meestal net geen echte oorlog, soms trouwens ook wel, maar om gewapende, fysieke strijd gaat het zeker regelmatig. Zakelijk is het niet zo moeilijk om het conflict op een paar pregnante formules te brengen. Je kunt zeggen dat (1) Hamas denkt vanuit de Nakba, de jaren 1947-1949, toen veel inwoners van de Gazastrook uit Jaffa of Beersheba moesten vluchten (dit is dus een erg behoedzame formulering tussen ‘verdreven werden’ en het simpele ‘vluchten’ in): men wil terug wat men ooit had. Dat (2) de Palestijnse Autoriteit noodgedwongen vanuit de Bezetting, 1967 dus, denkt en probeert te redden wat er te redden valt. En dat (3) Israël, althans de huidige regering, denkt vanuit het heden én tegelijk vanuit een eeuwoude joodse geschiedenis van vervolging en slachtofferschap en probeert zoveel mogelijk te houden van wat men heeft. Ook zonder de specifieke motieven en de ideologieën van de verschillende partijen erbij te betrekken, kan men het conflict zo tamelijk zakelijk, van buitenaf en in die zin dus redelijk objectief beschouwen.

Maar zo gaat het dus niet. Het conflict wordt beladen met morele termen en de tegenstander wordt zo niet als onmenselijk dan toch als ronduit slecht, immoreel, gezien. Voor sommige daden gaat zo’n oordeel ongetwijfeld op. Maar het wordt dus op het hele conflict en op volledige partijen overgedragen. Marbe gebruikte het woord ‘antisemitisch’ in haar stukje, ik haalde het aan en ik zag dat sommigen erover vielen. Ik begrijp het eigenlijk wel. Haar omstreden typering voor wat je zakelijk Israël-kritiek zou moeten noemen, staat immers tegen de achtergrond van een concrete tegenstelling. En ja, Hamas is zonder meer anti-joods. Wat zou men anders moeten zijn? Anti-Israëlisch, zoals ik steeds keurig schreef? Uiteraard, maar men weet natuurlijk ook wel dat die Israëlische soldaten op een paar droezen en anderen na bijna allemaal joods zijn en dat het niet om de Israëlische Palestijnen of Arabieren gaat. Ze zijn nu eenmaal joods en dan is het niet zo verrassend dat men dat ook opmerkt. Dat zich aan die gevoelens veel oude antisemitische beelden vastknopen, geloof ik direct. Dat boek van de theoloog Hans Jansen, Van jodenhaat naar zelfmoordterrorisme. Islamisering van het Europese antisemitisme in het Midden-Oosten (2006) – ik zie nu dat ik zowaar een opdrachtkrabbel van de auteur voorin heb staan (kijk desnoods op Wikipedia na waarom dat nu saillant is) – mag dan voor een groot deel een soort uitgave van Memri-bronnen zijn, het is ook bepaald weer niet allemaal verzonnen. Ja, in Gaza worden joden gedemoniseerd en heerst er ouderwets antisemitisme. Je kunt dat sociaalwetenschappelijk verklaren, maar daarmee is het nog niet moreel gerechtvaardigd.

En omgekeerd gebeurt dus precies hetzelfde: Palestijnen, vooral die van Hamas, zijn dus niet zo maar lieden die voor hun zaak strijden, met middelen die we echt niet goed kunnen keuren en vanuit een ideologie waar we ook al niets mee hebben, nee, ze worden voortdurend weggezet als lieden die het aan elke moraal ontbreekt. Alsof ze alleen maar aan terrorisme zouden doen, omdat ze daar nou eenmaal lol in hebben of het hun in het bloed zit. Ik geloof dat ik ook moeilijk anders kan dan hier mijn eigen perspectief verraden. Ik kan wel proberen zo objectief en eerlijk mogelijk te zijn, maar net als verreweg de meeste, overigens zeker niet alle, Nederlanders kijk ik natuurlijk mee via het Israëlische perspectief. En daarin wordt Israël door sommigen opgehemeld en bewonderd en krijgt het van anderen soms disproportioneel veel op de kop. De oorzaak is dezelfde: onze vereenzelviging. En juist daarom zal ik ook moeten waarschuwen tegen de demonisering van de ander.

-

Dit is geen politiek stukje en het is ook niet zo dat de waarheid of het gelijk altijd in het midden ligt. Maar over die politiek gaat dit nu niet, al zullen sommige lezers zo ongeveer bij elke formulering die ik gebruikt heb, addertjes onder het gras vermoeden en mij van de ene of de andere vooringenomenheid verdenken. Al te vaak heb ik de laatste dagen het bekende adagium uit het misjnatractaat Sanhedrin (IV:5) dat wie een leven redt, beschouwd wordt als iemand die een gehele wereld gered heeft, voorbij zien komen. O ja?, denk ik dan. Elk mensenleven, werkelijk elk mensenleven of alleen dat aan de eigen zijde? Daarom was mijn lange analyse van een simpele vergelijking niet zo overbodig, omdat die liet zien dat het ene mensenleven in het morele oordeel dus niet altijd het andere is. Wat nu belangrijker is: aan die ene misjnauitspraak gaat een andere, parallelle vooraf: ‘Wie een ziel vernietigt, wordt beschouwd als iemand die een gehele wereld vernietigt.’ Ik denk dat sommigen in het Heilige Land bij hun beslissingen zich ook dat zouden mogen aantrekken. Enige slordigheid in de omgang met andermans leven kan men toch zo af en toe wel bespeuren.

Wat is nu de moraal van dit stukje? Dat vergelijkingen, morele vergelijkingen naar believen de ene of de andere kant op kunnen worden gedraaid? Dat ze niet mogen en helemaal verkeerd zijn en dat we allen maar zakelijk moeten kijken? Ik kan natuurlijk wel een vroom betoog houden dat we niet mogen vergelijken en al helemaal niet moreel en dat je het ene mensenleven niet tegen het andere mag wegstrepen, maar dat je de ene dode bij de andere, het ene slachtoffer bij het andere moet optellen, het punt is natuurlijk dat we allemaal onbewust of stiekem toch steeds dergelijke vergelijkingen maken. Ja, dit is erg, maar dat is ook erg - in die trant dus. En ik denk dat ik zonder dat soort gedachten in mijn achterhoofd dit stukje ook niet eens had kunnen schrijven. Ik had het wel erg hard nodig om te roepen dat dit geen politiek stukje is, maar een beschouwing over het gebruik van moraal, om me een beetje uit de klauwen van wantrouwende en bevooroordeelde – ja, dat bent u allemaal – lezers te houden. Ik moest wel erg vaak enerzijdsanderzijdsen, al zie ik bij herlezing ook onmiddellijk de passages waar me dat net niet lukte of waar ik het even niet wilde. En ik zie heel veel opmerkingen waarbij ik eigenlijk nog wel een mezelf indekkende tussenzin hadden kunnen gebruiken.

Nou ja, een beetje een boodschap heb ik wel. Ik begrijp het best dat mensen moreel oordelen en dat ze partij kiezen en soms moeten ze dat ook. Maar ik zou er wel voor willen pleiten om de humaniteit van iedereen te blijven zien, ook van de mensen die geweldsdaden begaan die wij niet kunnen billijken. Het zijn geen onmensen, het zijn geen mensen zonder moraal. Het zijn – soms, zelfs dat lang niet altijd – mensen met een andere moraal.

Het zijn vooral mensen.

Naschrift. Enkele formuleringen zijn op maandag 24 oktober rond 12.00 uur iets aangepast of toegevoegd. Dat laatste geldt met name voor de afsluitende korte, pregnante typering van de twee wijzen van omgang met de getalsmatige verhouding van de ruil in morele termen: waarom wat de een prijst, door de ander gelaakt wordt.

(11)

20 oktober 2011

Technologie is verlangen

.:.

Wie wil weten hoe mensen in elkaar zitten, moet niet naar binnen kijken, maar naar buiten. In de buitenwereld zoals die zich voor onze ogen ontvouwt, de wijze waarop mensen hun wereld ingericht hebben, zien we wat er in het menselijk hart leeft.

Met buitenwereld bedoel ik in dit geval uiteraard alles wat er buiten de mens als zodanig is en dat kan zowel buitenshuis als binnenshuis zijn. Technologie markeert de overgang van behoefte naar verlangen. Technologie is verlangen. Dat we allen regelmatig in de Albert Heijn of een andere supermarkt aan te treffen zijn, is een uiting van behoeften. We moeten wel eten. Maar dat we als we uit het raam kijken, auto’s zien, en dat we, als we s’avonds in huizen naar binnen kijken, grote televisieschermen zien oplichten, dat is een uiting van verlangen. Zonder zouden we ook kunnen overleven. Overigens komen de meeste mensen ook in de supermarkt voor meer dan het strikt noodzakelijke, als ik afga op de vele meldingen op Twitter van lieden die ’s avonds laat gezellig een wijntje inschenken.

Sinclair C5 - zo verlangen mensen er niet bij te zitten (foto: Wikipedia)

Technologie is een kwestie van dingen maken, maar dan op grond van kennis, uitgebreide kennis, wetenschappelijke kennis vaak. Uiteraard valt er van tevoren vaak niet te voorspellen wat er mogelijk is en wat er gevonden wordt. Wetenschappers en technologen zijn op zoek naar het ene en vinden dan het andere. Serendipiteit heet dat. Niet alles wat mensen verlangen, kan ook. Tijdreizen bijvoorbeeld, een verlangen dat direct geuit werd toen het nieuws over de mogelijk te snelle neutrino’s naar buiten kwam. Maar het omgekeerde is ook waar, niet alles wat mensen kunnen, verlangen ze ook. En men kan wel maatschappijkritisch tegenwerpen dat de moderne industrie en de reclame allerlei behoeften die we niet hebben, creëren, als al die producten toch niet aansloten op een latent verlangen van mensen, zouden ze geen schijn van kans maken.

Een geschiedenis van mislukte producten van techniek en technologie is zeker zo inzichtgevend als eentje van geslaagde doorbraken. De Concorde is een voorbeeld van een supersonisch vliegtuig dat het vooralsnog niet gehaald heeft. Daar zijn misschien concrete verklaringen voor: wat er misging met het toestel, de milieuonvriendelijkheid, de hoge kosten. Maar ik denk ook: de geringe tijdwinst ten opzichte van het reizen van en naar luchthavens en de tijd die nodig is voor het inchecken en vanwege de veiligheidsmaatregelen. Het verlangen naar snelheid is op een gegeven moment wel gestild. Ook de Fyra tussen Amsterdam en Rotterdam schijnt het nog niet zo goed te doen, omdat lang niet iedereen de extra kosten voor de relatieve tijdwinst over heeft.

Een ander voorbeeld – ik heb het vaker genoemd en moet eens een beter verzinnen – is de beeldtelefoon of videotelefoon die volgens mijn feilbare herinnering zo in de jaren tachtig door Wim Bosboom via de Tros al gepusht werd. Het ding was misschien toen nog te imperfect, de beeldjes te traag, maar als het product aan een werkelijke behoefte had voldaan, was het er wel overal gekomen. Maar dat deed het niet. Je wilt niet elke keer dat je de telefoon opneemt, met je verwarde kop, net vanonder de douche, in beeld. Maar de beeldmogelijkheden op mobieltjes hebben het wel gehaald. De gebruiker kan nu zelf richten, op het moment dat hij zelf iets wil tonen, of dat nu zichzelf is of de omgeving. Skypen heeft het wel gehaald voor mensen die elkaar uit de verte bij speciale gelegenheden willen zien. Die laatste opties sluiten wel aan bij menselijke verlangens, de eerst bedachte statische optie niet.

Ondanks dat we tegenwoordig bezweren dat mannen en vrouwen gelijk zijn, in de zin van gelijke rechten en mogelijkheden, denk ik nog steeds dat de wereld buitenshuis vooral door mannen bepaald is. Er komen steeds meer vrouwelijke architecten, maar tot dusverre is onze gebouwde omgeving vooral door mannen bepaald, vermoed ik. En hoewel zowel vrouwen als mannen zich per auto verplaatsen, zijn auto’s tot op heden typische mannendingen gebleven. Als alleen vrouwen erin reden, zou het wagenpark er anders uitzien. Of het echt waar is, weet ik eigenlijk niet, maar het is een soort volkswijsheid dat veel technologische nieuwigheden uit de militaire industrie voortkomen, en hoewel er tegenwoordig ook vrouwen in legers dienen, is dat nog steeds een mannenwereld, waarin mannelijke fantasieën – steeds sneller, steeds harder, steeds vernuftiger – tot uiting komen.

En hoewel mensen ongetwijfeld samen hun woning inrichten, vermoed ik dat vrouwen nog steeds de meeste invloed hebben op wat er bij de Ikea en de Blokker te vinden is. Er wordt wel eens neerbuigend gedaan over wat er in dergelijke winkels te koop is, maar ik geloof dat dat niet terecht is. Het gaat niet alleen om het vervullen van praktische behoeften – je moet een bed hebben om in te slapen – maar ook wel degelijk om smaak, om wat mensen mooi vinden. De betrekkelijke leegheid van moderne woonkamers, de ruimte, is trouwens ook een uiting van rijkdom. Een generatie of twee geleden hadden ook arbeidershuisjes in Utrecht een speciale voorkamer, waar men nauwelijks zat, maar waar de mooie meubels stonden, en stonden kamers in de Jordaan vol met allerlei snuisterijen – een teken van opkomende welvaart: men had wat en men bewaarde het. De leegheid van nu is een teken van rijkdom: men kan weer eens wat nieuws kopen, als dat zo uitkomt.

De versnelling van de wereld, waar ik het gisteren over had, de mogelijkheid om met iedereen overal snel te communiceren, is wel bij uitstek een uiting van menselijk verlangen. Daarom kun je ook voor internet en wat daarmee samenhangt, de communicatietechnologie, voorspellen dat die technieken toekomst zullen hebben, die voldoen aan elementaire menselijke verlangens: die van wederzijdse communicatie en misschien wel geborgenheid. Second Life was misschien een leuk speeltje, maar meer was het niet. Het stond letterlijk buiten de gewone leefwereld. Mensen zoeken geen tweede leven, behalve dan in de verstrooiing van amusement of film of wat we maar hogere cultuur zullen noemen, waar ze trouwens vaak samen, al dan niet op de bank, van genieten. Mensen zoeken nabijheid in het echte leven. Twitter en Facebook zullen ongetwijfeld veranderen, transformeren, opgaan in iets nieuws of erdoor vervangen worden, maar ze voldoen aan de elementaire menselijke behoefte aan gesprek en communicatie. Ze zijn sociaal, zoals dat heet, en dat zegt alles.

Een Vertrouwde Wereld noemde Henri Baudet in 1986 zijn boek over 100 jaar innovatie in Nederland, zoals de ondertitel luidt. Daarmee gaf hij precies aan waar het om gaat. Het ging om nieuwe dingen, die toegeëigend werden, omdat ze aan menselijke verlangens beantwoordden. Hij had het over de ballpoint – zo schreef hij dat nog – de fiets, de elektrificatie van de wereld en de radio. Hij had het over de televisie en de fonograaf en de grammofoon – de CD was toen net in opkomst – en de auto, maar ook over de wasmachine, de koelkast, de stofzuiger en nog veel meer. Ik ga nu de inhoudsopgave niet overschrijven. Hij had het in ieder geval over dingen in het huishouden en daarbuiten. Al die dingen werden vertrouwd, omdat ze niet alleen aan menselijke behoeften, maar ook aan menselijke verlangens voldeden. Hij liet ook dat malle karretje van Sir Clive Sinclair zien, dat het niet haalde: geen auto, te klein en je zat er te laag en te hulpeloos bij. Sinds de wetgeving veranderd is en een bromfiets niet langer een rijwiel met hulpmotor hoeft te zijn en dus geen trappers meer hoeft te hebben, heeft de scooter wel weer enorme opgang gemaakt: daar zit je tenminste soeverein op – zie hoe zelfbewust jonge vrouwen op zo’n ding er uitzien – en heb je overzicht.

Technologie heb ik in dit stukje misschien wel erg breed opgevat. Ik had het ook over de producten van menselijke cultuur. Soms vereisen die veel kennis, wetenschappelijke kennis ook, soms nauwelijks meer dan waar de mensheid vijf of tien eeuwen geleden ook al over beschikte. Maar wat blijft staan, is dit: wie wil weten wat er in menselijke harten leeft, moet kijken naar de wereld die ze scheppen.

(10)

Tags:
19 oktober 2011

Hoe de tijd zich verdicht

.:.

Wat is het leven toch haastig! De ontwikkelingen in de wereld gaat steeds sneller. Dat zijn opmerkingen die men vaak hoort en die kennelijk het levensgevoel van veel mensen weergeven.

Het zijn wel verzuchtingen die men naar idee gevoel al ruim een eeuw hoort, langer zelfs. Ik zou nu even in Johan Huizinga’s In de schaduwen van morgen (1935) kunnen gaan graven, maar ik denk dat u me zo ook wel gelooft. Ik heb eigenlijk de indruk dat de opmerking al sinds het begin van de Industriële Revolutie en dan vooral sinds de introductie van de trein, dus zo ongeveer het midden van de negentiende eeuw, toen het spoorwegnetwerk in veel landen serieuze vormen begon aan te nemen, veelvuldig geplaatst werd.

Er is zelfs een denker, Paul Virilio, die zijn hele oeuvre, of althans een groot deel daarvan, gebaseerd heeft op het verband tussen technologie en snelheid. Hij heeft daar zowaar een speciale naam voor bedacht: dromologie, de wetenschap of, misschien beter, de beschouwing en bestudering van de versnelling van de wereld. Ik heb daar slechts zijdelings iets over opgevangen en het oeuvre van Virilio niet gelezen. Wel kwam bij mij naar aanleiding van wat inleidende literatuur over de man – die ik ook al weer even geleden tot me genomen heb – de verdenking of de vraag op of het ook niet om een trucje gaat. Als je eenmaal een vast thema hebt, van waaruit je de wereld kunt bezien, kun je het ene na het andere onderwerp vanuit dat perspectief behandelen.

Het is een beetje hetzelfde gevoel dat ik ook krijg als ik de laatste reeks titels van de socioloog Zygmunt Bauman, over wie het gisteravond in Felix & Sofie ging, bekijk. Sinds zo ongeveer de eeuwwisseling schrijft hij het ene boek over vloeibare moderniteit: Liquid modernity (2000), Liquid Love (2003), Liquid Life (2005), Liquid Fear (2006), Liquid Times (2007) – dat nu dus net in het Nederlands is verschenen: Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid –, 44 Letters from the Liquid Modern World (2010) en Culture in a Liquid Modern World (2011). Het is misschien niet netjes van me, maar dan komt bij al gauw de gedachte bij me op dat ik zo nog wel een paar titels kan bedenken. Virilio liet het tenminste bij, als ik goed gekeken heb, twee titels die het begrip snelheid in de titel droegen: het beroemde en grondleggende Vitesse et politique (1977) en La vitesse de libération (1995). Maar deze opmerking wil niet zeggen dat beide mannen geen behartigenswaardige zaken aan de orde zouden stellen. Als ik de tijd had – daar heb je het al, de haast en het tijdgebrek – zou ik hun werken graag nader bestuderen.

Niet helemaal toevallig noem ik beide denkers tegelijk. Ze hebben het beiden over de huidige samenleving en de huidige moderniteit, die Bauman in tegenstelling tot de oudere, vaste of solide vorm van moderniteit dus vloeibare moderniteit noemt. Heel grof getypeerd beschrijft hij de fase van wat in Nederland de verzuiling heet – waarbij de vaste kaders overigens meer in de beeldvorming dan in de historische werkelijkheid bestonden – en de tijd van na de ontzuiling: de differentiatie in allerlei thematische bewegingen, de overgang van wat Peter van Dam zware naar lichte gemeenschappen noemt. De oude sociologische tegenstelling tussen traditie en moderniteit is bij Bauman nu dus vervangen door die tussen de eerste en de latere fase of vorm van de moderniteit. De viriliaanse snelheid van het huidige leven en de baumanteske onvastheid hangen ongetwijfeld samen.

-

Maar er is ook nog een andere kant: die van de verdichting van de tijd. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat met name internet de vluchtigheid die gegeven is met ons bestaan als wezens die aan de tijd zijn onderworpen, zo niet uitschakelt dan toch ietwat neutraliseert. Snelheid is gericht op het overbruggen van afstanden, de ruimte. Duurde het enkele eeuwen geleden enkele maanden voordat een bericht uit Batavia over was, nu lees je binnen een seconde op Twitter wat een correspondent daar opvalt. De moderne communicatietechnologie omspant de hele wereld. Als het om informatie gaat, zijn afstanden in feite uitgeschakeld. Daarmee is ook een vorm van gelijktijdigheid geïntroduceerd: de hele wereld – althans dat welvarende deel dat toegang heeft tot informatie en de tijd ervoor heeft en niet behoort tot de arbeiders die zich in Chinese fabrieken afsloven om al dat fraais voor ons voor een prikkie te maken – kan direct met elkaar communiceren. In dat opzicht is met de afstand ook de tijd uitgeschakeld.

Maar de verdichting van de tijd gaat verder. Ook het verleden blijft dichterbij en komt dichterbij. Alles wordt digitaal vastgelegd. Nou ja, niet alles, veel. Je hoeft radio- en tv-uitzendingen niet meer live te volgen, als je achteraf hoort dat iets interessant was, kun je het alsnog bekijken. Dat heeft trouwens als nadeel – ik hoorde daar pas een concreet voorbeeld van – dat sommige mensen niet meer willen of van hun werkgevers niet meer mogen opdraven: ook als je iets ongelukkigs of onhandigs zegt, ligt dat immers ook voor de eeuwigheid vast – maar dit terzijde. Het heden vervluchtigt niet meer, het wordt vastgelegd. Als je vroeger iets in een obscuur blaadje schreef of zelfs in een grote, door honderdduizenden gelezen krant, dan hadden na een paar jaar enkele mensen daar misschien nog een vage herinnering aan, maar vrijwel niemand had die tekst nog bij de hand. Men moest er voor naar een grote bibliotheek of documentatiecentrum.

Nu blijft alles vindbaar en in die zin ook bij je. Ik ben wel eens aangesproken op een tekst uit de jaren negentig, waar ik het lang niet in alle opzichten meer mee eens was. Maar iemand die die nu leest, kijkt je er nu op aan. Iemand die vroeger het tijdschrift uit die jaren op een leeszaal inkeek, was zich alleen door de gedateerde opmaak en door de afnemende kwaliteit van het papier al bewust van het tijdsverloop. Maar op een scherm is alles in zekere zin even actueel. Uiteraard bleef er ook vroeger wel oude informatie in moderne vorm beschikbaar. Ik heb Locke of Hegel echt niet in zeventiende- of negentiende-eeuwse uitgaven staan, maar gewoon in blauwe of groene paperbacks van Cambridge University Press of Felix Meiner Verlag. Maar dan ging het om een selectie van teksten die het verloop van de tijd, de gang der eeuwen overleefden en die we daarom terecht klassieken, of tegenwoordig ook wel klassiekers, geloof ik, noemen. Nu blijft rijp en groen in zekere zin even dichtbij.

En het gaat niet alleen om teksten die je ooit gepubliceerd hebt, het gaat ook om mensen die je gekend hebt. In bepaalde perioden van je leven kom je bepaalde mensen tegen, die je later uit het oog verliest. Je bent dan – meestal, hoop ik – blij verrast als je ze ineens op straat of op een bijeenkomst weer tegenkomt of ze op een dag in de krant ziet staan (waarbij ik dan even afzie van overlijdensberichten). Maar nu wijst de vriendenzoeker van Facebook je ineens op hun bestaan, als zij al geen verzoek van hun kant doen. Kortom, je hele verleden blijft present of wordt in ons geval weer present. Het maakt ook niet meer uit waar mensen wonen. Iemand die naar Brazilië of Zuid-Afrika verhuist, is weliswaar fysiek ver weg, maar via internet en andere media kun je de wederwaardigheden nog steeds volgen.

De tijd verdicht zich. Wat er was, blijft. Dingen gaan niet meer voorbij. Er komt nog steeds wel van alles bij: elke dag nieuwe teksten, regelmatig nieuwe mensen. Ze worden toegevoegd aan wat er al was. Maar onze levens veranderen: minder gaan we van de ene fase naar de andere, meer wordt er aan het bestaande of blijvende iets toegevoegd. Je kunt je verleden minder ontkennen, als je daar al behoefte aan zou hebben. Je kunt het in ieder geval minder vergeten. De technologie heeft met haar versnelling niet alleen afstanden overbrugd, maar ook de tijd dus verdicht. Het vroegere wordt gelijktijdig. Het heden heeft geen alleenrecht meer. Het verleden, vooral het recente verleden, dringt zich aan ons op.

-

Uiteraard is dit slechts een betrekkelijk verhaal. Het verleden is er niet uit zichzelf. Hoe bereikbaar het ook is, vaak moet het bewust opgezocht worden naar aanleiding van een vraag die zich nu aandient. Er is leven buiten het scherm en buiten internet en iPads en andere communicatiemiddelen die mensen overal en soms permanent bij zich dragen. De fysieke wereld blijft ons overweldigen. Het blijkt uit de verhalen van emigranten. Vroeger was iemand die naar Canada of Australië verhuisde, echt weg uit Nederland. De nieuwe omgeving was het enige directe referentiekader. Nu kan iemand in contact blijven met familieleden, vrienden en kennissen in het land van herkomst en gemakkelijker op en neer reizen. Maar nog steeds zie je dat de concrete leefomgeving de meeste indruk maakt.

Als het over de zogenaamde ‘integratie’ van immigranten gaat, wordt wel eens gevraagd of die niet vertraagd wordt doordat mensen geestelijk ook in hun oude omgeving blijven wonen. Maar uit alle ervaringen blijkt dat ook Marokkanen die elke zomer teruggaan naar Marokko, daar vooral op vakantie zijn, als vertrouwde vreemdelingen dus. Hun gewoonten en houdingen zijn primair Nederlands geworden, zij het soms misschien in de vorm van een specifiek Nederlandse deelcultuur, waarbij elementen gemengd zijn. De school, het werk, de mensen van vlees en bloed waar men mee omgaat, hebben veel meer invloed op het gedrag en het denken. Het is niet zo dat de virtuele wereld een parallelle eigen wereld is, een platoonse verdubbeling binnen onze wereld, ze is onderdeel van onze alledaagse fysieke wereld en wordt daarin ingepast. Ze verandert die wel, maar het concrete leven blijft voorgaan.

Maar ook in dat concrete leven praat je dan toch weer over de contacten en de informatie die via schermen en andere communicatiemiddelen deel van je leven zijn. Het bestaan kan dan soms vluchtig lijken, de snelheid van Virilio en de vloeibaarheid van Bauman kunnen ons soms overweldigen, tegelijk biedt de overbrugging van afstanden en de (recente) tijd ook een nieuw soort vastigheid. Al die gesprekken via mobieltjes die meestal nergens over gaan, geven wel structuur aan de levens van mensen: geliefden en vrienden zijn dichtbij. Niks vloeibaarheid, vastheid. Niks jachtigheid, vertrouwdheid.

De tijd verdicht zich. Maar het alledaags leven, van dag tot dag, gaat gelukkig voor.

.:.

Kort naschrift. Het kernidee van dit stukje, de verdichting van de tijd, stond al sinds afgelopen zaterdag – 15 oktober, volgens mij was het trouwens vrijdagavond laat, maar daar houdt digitale tijdbepaling geen rekening mee – toen ik de kern in een korte tweet, met een woord (zich) te weinig, samenvatte. Daar reageerde Roel Kuiper – de volgende ochtend, dezelfde kalenderdag – op met een belangstellende vraag, waarop ik in twee tweets - een, twee – een korte uitleg gaf.

De inhoud is mede bepaald door de genoemde avond in Felix & Sofie waarop de inspirerende Rotterdamse socioloog Willem Schinkel in een interview het werk van Zygmunt Bauman belichtte. Twee opmerkingen gaan terug op wat hij daar zei: die over mobiele telefoontjes, waar hij ongeveer hetzelfde over opmerkte als wat ik nu betoog, maar het was een gedachte die ik zelf ook al lang koesterde, en de terloopse over de Chinese arbeiders. Je kunt niet elk idee afzonderlijk toeschrijven en het zijn observaties die door menigeen gedaan worden.

Maar toch wilde ik dit nog even noemen, ook om een punt uit het stukje te illustreren: fysieke presentie blijft in veel opzichten prevaleren. Een bijeenkomst bijwonen en met je volle aandacht zijn bij wat daar te berde gebracht wordt, geeft veel meer aanleiding tot eigen gedachten dan alleen maar iets lezen via een scherm of in de krant of zelfs hetzelfde op radio of televisie horen. Mensen reageren op elkaar. Maar dat geldt ook, zij het in iets mindere mate, voor de technologische middelen die ons in staat stellen van afstand op elkaar te reageren. De vraag van Roel Kuiper dwong me om nog iets nader toe te lichten wat ik kort opschreef.

Met name Twitter is niet primair een medium van mensen die ‘zenden’, maar van mensen die op elkaar reageren. Dat verschaft er de levendigheid aan en dat maakt het ook onderdeel van ons alledaagse leven. Mensen zijn interacterende wezens, om het maar eens lelijk te zeggen. Of gewoner: ze praten met elkaar, tegenwoordig ook op afstand.

(9)

18 oktober 2011

Behoren – over nationale trots en schaamte

.:.

Het is een misverstand dat mensen blanco ter wereld zouden komen. Ze worden altijd in bepaalde verbanden geboren en, meer nog, ze groeien in bepaalde omstandigheden op. Mensen kunnen zich misschien tot zoiets als zelfstandige persoonlijkheden of personen – dat lijken me betere termen dan het huidige individu, dat trouwens ook al een grotere samenhang veronderstelt die je tenslotte niet verder kunt opdelen dan in concrete mensen van vlees en bloed – ontwikkelen, ze groeien zonder dat ze daar wat over te zeggen hebben, op in een bepaalde omgeving.

'Onze' Tachtigjarige Oorlog in de ogen van de vijand

Ik kom hierop omdat Schreibfieber me gisteren attendeerde op een twitteruitwisseling die we ruim een jaar geleden hadden en die ik helemaal vergeten was. Ze heeft die destijds uitvoerig op haar weblog gedocumenteerd en er een commentaar aan toegevoegd. Men kan dat zelf nalezen. Ik meen dat ik destijds beloofd had te reageren en doe dat nu alsnog. Beter laat dan nooit, zullen maar hopen.

Het begon met een twittergrapje van me: ‘Ach ja, Duitsers, hè?’ waarna ik verwees naar een artikel op de site van de NRC, dat meldde dat Duitse politici ‘verontwaardigd’ reageerden op de steun die het toen nieuwe Nederlandse minderheidskabinet in aanbouw kreeg en nog krijgt van een zekere als populistisch getypeerde politicus, die ik nu maar eens niet wilde noemen, omdat we het al veel te vaak over hem hebben. Wat ik deed, was een toespeling maken op een in Nederland helaas nogal gangbaar vooroordeel, maar dan door het om te draaien: dat Duitse politici hogere normen aanleggen en voor bepaalde ontwikkelingen mede op historische gronden veel gevoeliger zijn. Uit het volgende wat daar staat, moge blijken dat ik het zo bedoelde.

Op de laatste twee punten uit het commentaar van Schreibfieber wilde ik dus nu niet uitgebreid ingaan. Ik zou alleen nog terloops op willen merken dat men het Nederlandse populisme, evenals bijvoorbeeld het Deense, niet primair moet verklaren uit ontevredenheid of onbehagen – dat is helaas bij velen nog levende het hardnekkige misverstand, dat goed verstaan belemmert – maar eerder uit een luxesituatie, waarin men het zich kan permitteren eens wat uit de band te springen. Nederland en Denemarken behoren tot de meest welvarende landen ter wereld met relatief zeer gelukkige bevolkingen, die heel weinig te klagen hebben en voor wie wat gemopper of geschreeuw meer een aardigheidje is, dat men zich wel veroorloven kan. Het heeft immers toch nauwelijks consequenties. Wat mij betreft heeft Schreibfieber gelijk als ze stelt dat het om een nieuw fenomeen gaat.

En dat minstens zeventig procent van de bevolking van een land dom is, dat geloof ik ook niet. Ik geloof wel dat veel mensen niet zo goed geïnformeerd zijn en vaak allerlei dingen roepen over zaken waar ze geen verstand van hebben, maar als je eens persoonlijk met ze doorpraat, dan zijn ze meestal de redelijkheid zelve. Over gezond verstand – Descartes merkte het al op en hij bedoelde dat niet ironisch – beschikt elk mens, nou ja vrijwel elk mens, wel. Maar het blijkt pas als men het redelijke gesprek aangaat en mensen vraagt zich nader te verklaren. Dan vallen ze, het is althans mijn ervaring, bijna altijd mee.

-

Het gaat me nu om iets anders. Dat je zonder dat je daar veel aan kunt doen, in de loop van je leven nu eenmaal allerlei bindingen oploopt. Je kunt die beamen, je kunt je ertegen afzetten, je kunt ze negeren, je kunt ze ontvluchten, maar altijd zijn ze er en altijd heb je er een verhouding tegenover. Je kunt emigreren naar een ver land en dan nooit meer een woord over je vroegere verleden spreken, maar als het om een belangrijk of interessant persoon gaat, zal een latere biograaf op zijn minst aansnijden waar het zwijgen of de vlucht uit voortkwamen.

Dat die bindingen en de bijbehorende houdingen dus ‘uitwisselbaar’ of contingent zijn, daarover ben ik het volkomen met Schreibfieber eens. Als Nederlanders of Nepalezen hetzelfde meegemaakt hadden als Duiters in het Derde Rijk, zouden ze – mogen we althans hopen – precies zo reageren als Duitsers nu: veel gevoeliger voor wat ook maar in de verte aan die periode doet denken. Maar, dat is het punt, dat hébben ze niet. Zij hebben hun eigen verleden zoals Duitsers het hunne hebben. Dat dat op persoonlijk niveau volstrekt uitwisselbaar is, dat is dus juist. Mensen kunnen heel lang vlak bij elkaar een twee zijden van een grens een volstrekt gelijksoortig leven leiden, totdat omstandigheden, politieke vaak, hun leven zonder dat ze daar verder veel aan kunnen doen, een andere kant opstuurt. Ik ken dat soort verhalen wel uit de buurt van Bentheim, een gebied dat vanouds erg op Overijssel en Drenthe betrokken was. Ineens gingen de levens uit elkaar, maar na de oorlog konden mensen soms ook weer persoonlijk met elkaar spreken over het verdriet dat ze ervaren hadden.

Ik herinner me dat ook wel uit de jaren tachtig in Israël, waar ik met Duitse vrienden optrok. Soms zag je bij wijze van spreken al uit de verte dat je met een Jecke (of Jekke) van doen had. Maar de code was: eerst een paar woordjes Hebreeuws, om je goede wil te tonen, dan overgaan op Engels en dan wachten tot het moment dat de ander vroeg of we niet gewoon Duits konden praten. Die Duitse vrienden van me hadden persoonlijk uiteraard helemaal niets met het Duitse verleden te maken, maar ze kwamen nu eenmaal uit Duitsland, ze wisten hoe er tegen mensen uit dat land aangekeken kon worden en daarom houd je rekening met percepties en gevoeligheden. Op een onschuldiger wijze heb ik dat als jongeling fietsend in de Belgische Voerstreek, waarvan ik toen niet eens wist wat dat was en dat ze daar direct over de grens bij Eijsden al Frans spraken, ook wel meegemaakt: mensen wilden eerst weten of we uit Nederland kwamen en dan wilden ze ons best in het Nederlands te woord staan. Als we Belgische landgenoten met een andere moedertaal geweest waren, was hun houding kennelijk anders geweest.

-

Mijn punt is: dat verleden van een groep waar je toebehoort, is niet je eigen verleden, maar op een bepaalde wijze heb je het wel geërfd. Dat geldt ook voor Nederlanders in Indonesië: die stammen toch maar af van de vroegere kolonisator. Je wordt niet blanco geboren en je groeit al helemaal niet blanco op. Je draagt van alles met je mee, zowel in negatieve als in positieve zin, en ik denk dat dat laatste gelukkig het meest het geval is. Dat geldt wat mij betreft ook voor Duitsers, vooral in de huidige Europese constellatie. Je kunt zeggen wat je wilt, maar de Duitse politieke cultuur heeft zich sinds het ontstaan van de Bondsrepubliek in 1949, of eigenlijk al vanaf de Stunde Null vier jaar eerder, op een voorbeeldige wijze ontwikkeld (wat voor een kanttekeningen iemand op detailniveau wellicht ook wil plaatsen). Duitsland is het meest pacifistische land in Europa en het is een groot geluk dat de Europese Unie bepaald is door de as tussen eerst Bonn en later Berlijn en Parijs. Bij lieden als Helmut Kohl en François Mitterand zag je dat nog: dat nooit weer, dat dreef hen. En het is een even natuurlijke ontwikkeling dat de verhouding onder enerzijds Gerhard Schröder en Angela Merkel en anderzijds Jacques Chirac en Nicolas Sarkozy verder genormaliseerd is. De geschiedenis gaat verder en nieuwe generaties treden aan, die het verleden niet meer zo rechtstreeks met zich meedragen, maar er wel de erfgenamen van zijn – in positieve zin vooral.

Voor overdreven Nationalstolz is inderdaad geen plaats. Maar een zekere trots of schaamte is onherroepelijk met je land verbonden. Jij maakt er nu eenmaal deel van uit en in die zin is het ook van jou. Je kunt, als je als historicus doende bent, wel zorgvuldig proberen te vermijden om over ‘wij’ en ‘ons’ te schrijven als het over bijvoorbeeld Nederland tijdens de Opstand of in de Gouden Eeuw gaat – ik probeer consequent over de Nederlanders of zoiets te schrijven –, het is onvermijdbaar dat die geschiedenis of voorgeschiedenis van wat nu je land is, in zekere zin wel degelijk bij jou hoort. Je als Nederlander bezighouden met Amsterdam in de zeventiende eeuw is iets anders dan je verdiepen in de vast en zeker nog boeiender geschiedenis van Parijs of Londen – of Bagdad – in die dagen. Je verhoudt je anders tot het object van belangstelling, al zul je zeker iedereen recht moeten doen en al is het heel interessant om eens kennis te nemen van Spaanse visies op wat wij – daar heb je het al – de Tachtigjarige Oorlog noemen. Maar het is ook weer niet toevallig dat de auteur van De Tachtigjarige Oorlog in Spaanse ogen. De Nederlanden in Spaanse historische en literaire teksten (circa 1548-1673) (Nijmegen, Vantilt, 2003) Yolanda Rodríguez Pérez heet, al is het ook weer geen noodzaak. Als historicus, maar ook als hedendaags wereldburger zul je iedereen recht moeten doen, ook mensen met een ander perspectief, maar het is wel zo verstandig om jouw specifieke, door historische omstandigheden bepaalde perspectief te onderkennen en daar dan op een eerlijke wijze mee om te gaan.

Als ik met Duitse vrienden spreek, gebeurt dat in volle vriendschap, maar in alle openheid gaat het toch over ‘bei uns’ en ‘bei euch’. Ik weet nu eenmaal net iets meer van politiek Den Haag en kan dat uitleggen – zo gaat dat bij ons – en zij kunnen mij beter vertellen hoe het in Stuttgart of Berlijn verloopt – zo gaat dat bij hen. En ondanks mijn pogingen om vooral maar geen het eigen land verheerlijkende nationalist te zijn, kon het me dus toch wel eens overkomen dat ze mij, die alleen maar vol vuur vertelde hoe bepaalde zaken Nederland aangepakt werden – vroeger was dat vaak het zogenaamde ‘gedoogbeleid’, wat mij betreft overigens een uiting van nogal conservatieve praktische zin (zowel de norm als de praktische afwijking erkennen) – ineens gekscherend toevoegden: ‘Jan Dirk, du bist ein Patriot’. Je hoort nu eenmaal ergens bij.

Op een onschuldig niveau merkt men dat ook wel als men in het buitenland ineens geconfronteerd wordt met landgenoten die nogal luidruchtig en ongemanierd zijn. Dan denk je toch al gauw: daar wil ik niet bijhoren, ik houd mijn mond zorgvuldig dicht en laat niet merken dat ik ze versta. Ja, dat is een vorm van schaamte, lichte weliswaar, maar toch. Onvermijdelijk. Er is nu eenmaal iets dat je daar met die mensen verbindt, de taal, de afkomst, terwijl je ze in Nederland zelf dus niet eens zou opmerken. Een zekere schaamte en een zekere trots zijn onvermijdelijk verbonden met de groep waar je bijhoort. En dat kunnen uiteraard allerlei verschillende groepen op allerlei niveaus zijn. Wat men tegenwoordig wel een identiteit noemt – ook zo’n ietwat misleidend woord dat suggereert dat je iets ‘bent’, terwijl het in feite over relaties en toebehoren gaat – is gelukkig niet enkelvoudig. Mensen hebben allerlei identiteiten omdat ze tot allerlei groepen behoren. Daar hoort ook de hoedanigheid van mens of voor mijn part wereldburger bij, die ons met alle mensen op de wereld verbindt. Die is er gelukkig ook, maar die wist niet uit dat we ook Chileen of Duitser of Iraniër of Nederlander zijn, zoals we daarnaast ook nog Zeeuw of Saks of wat dan ook kunnen zijn. Het een sluit het ander niet uit. Het gaat om relationele verhoudingen en in verschillende contexten spelen ze een andere rol, soms belangrijk, soms ondergeschikt.

-

Wat mij betreft mogen Duitsers best wel een beetje – een beetje, meer niet – trots zijn op de politieke cultuur met hoge normen die ze ontwikkeld hebben, zoals Nederlanders zich tegenover buitenlanders best een beetje – opnieuw: een beetje – mogen schamen voor de toestanden die we hier de laatste tien jaar beleefd hebben, al denk ik echt niet dat Nederlanders en Duitsers op persoonlijk niveau nu zo verschrikkelijk anders in elkaar zitten. Collectieve identiteiten zijn nu eenmaal een onderdeel – meer niet – van complexe persoonlijke identiteiten. Het is niet verstandig om al die bindingen of ‘identiteiten’ te ontkennen, het is wel verstandig om ze niet te verabsoluteren. Als het erop aankomt, ben ik het dus, denk ik, helemaal met Schreibfieber dat wij ons als mensen beter maar niet ‘national abgrenzend entwerten oder loben’ kunnen. Maar ik ben het niet met mezelf uit de conversatie eens dat ‘kosmopolitisme’ beter is. Je kunt het een beetje proberen, maar het is veel te pretentieus en iets proberen te zijn dat je niet kunt waarmaken, dat is niet verstandig. En dat geldt misschien ook voor die ‘wereldburger’ die ik hiervoor argeloos opvoerde. We zijn die we zijn mede door de erfenis die we hebben meegekregen. We kunnen ons wel op onze eigen, persoonlijke wijze daartoe verhouden.

En soms kunnen we er grapjes over maken. Want ik noemde weliswaar Duitsers, maar ik had het natuurlijk over Nederlanders en hun houding.

(8)

17 oktober 2011

Het gezag van de geschiedenis

.:.

Mensen hebben het verleden nodig, al was het alleen maar ter bevestiging.

Neem nou dit. Gisteren twitterde Arend Jan Boekestijn, bekend van Twitter en van zichzelf: ‘Adam Smith was groot voorstander van toezicht op banken,’ waarna een verwijzing naar een al wat ouder stukje ‘Adam Smith On Banking Regulation’ op de weblog Adam Smiths’ Lost Legacy volgde. Daar konden we lezen dat de bekende econoom Paul Krugman begin vorig jaar schreef dat zelfs – of misschien beter: ook – Adam Smith betoogde dat regulering van banken even noodzakelijk is als brandweervoorschriften dat zijn voor gebouwen in steden.

Uil van Minerva - door Gaia Azzaroli (Gazza)

Smith had natuurlijk gelijk, maar daar gaat het hier niet om. Wat is het nut van een dergelijke verwijzing? En dan bedoel ik zowel door Krugman als door Boekestijn. Dat Smith iets betoogde dat we anders nooit gezien zouden hebben? Nee, dat niet. Zijn woorden moeten gezag bijzetten aan het betoog dat overheden uiteindelijk altijd zullen besluiten om omvallende banken te redden en dat regulering alleen al nodig is om te voorkomen dat het zover komt. Krugman keert zich tegen lieden waarvan hij veronderstelt dat ze zich wel eens op de vrijemarktprincipes van Smith zouden kunnen beroepen. Een dergelijk beroep wil hij bij voorbaat uitschakelen. Dat wat hij nu ziet, dat zag Adam Smith ook al en het wordt door de hele geschiedenis sindsdien bevestigd. En dat Arend Jan Boekestijn juist hiernaar verwees, moet een soortgelijke functie hebben. Zo van: je kunt nu wel denken dat alles op zijn beloop laten liberaal is, maar dat is helemaal niet zo en zelfs Adam Smith zag dat al.

Geschiedenis verleent hier dus gezag. Zakelijk gesproken zou je natuurlijk kunnen stellen dat dat helemaal niet nodig is. Je hebt een probleem en daar zoek je een oplossing voor. Uit zichzelf gaat het soms niet goed met de banken en daarom moet je wel regels stellen. Als er nooit eens kinderen van speeltoestellen vielen en een gat in hun hoofd opliepen, was het niet nodig om regels omtrent de veiligheid te stellen, maar nu dat wel gebeurt, is het wel zo verstandig dat wel te doen. Zoals kinderen kunnen vallen, kunnen banken dat ook en in beide gevallen kun je beter maar voorzorgsmaatregelen treffen. Zo werkt politiek en zo werken overheden: het gaat om het oplossen en liever nog voorkomen van problemen die een algemeen belang dragen. Op zich zou een systematisch antwoord zou voldoende moeten zijn. Waarom dan toch nog een beroep op de geschiedenis? Omdat die dus gezag verleent.

In dit geval gebeurt dat op twee manieren: indirect en rechtstreeks. In feite gaat het er primair niet om dat Krugman zich zelf argumentatief op Smith beroept, hij wil een ander mogelijk beroep op het gezag van Adam Smith bij voorbaat uitschakelen. Anderen, vrijmarktideologen, zouden zich wel eens op Smith kunnen beroepen, maar in dit geval zal ze dat niet lukken. Als Smith per ongeluk het omgekeerde betoogd had, zou Krugman zijn eigen opvattingen echt niet gewijzigd hebben, vermoed ik zo. Hij zet gezag in tegen vermeend gezag. Maar er is nog iets. Hij beroept zich ook op de ervaring sinds Smith. Steeds weer heeft de geschiedenis hetzelfde laten zien: de les die Adam Smith al getrokken had, is daarna telkens weer bevestigd. In die zin verleent de geschiedenis wel degelijk rechtstreeks gezag: we beweren niet maar zo wat, mensen hebben dat steeds al gezien – en vooral aan den lijve ervaren.

Het gaat om de wijsheid der eeuwen.

Afbeelding door Gaia Azzaroli (Gazza): ‘Die Eule der Minerva beginnt erst mit der einbrechenden Dammerung ihren Flug.’ G.W.F. Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts (1821). 

(7)

14 oktober 2011

Seculier – twee opvattingen

.:.

Er zijn van die woorden waar ik maar nooit goed aan kan wennen. Seculier is er een van. Ik weet echt wel wat het tegenwoordig zo ongeveer betekent, namelijk wereldlijk of in de hedendaagse opvatting – maar daar kom ik zo op – vooral niet-religieus en het heeft de connotatie van aards, in de zin dat de aarde de horizon van het bestaan is, maar ik hoor onontwijkbaar steeds de oorspronkelijke Latijnse betekenis meeklinken.

Een seculier priester en een seculier filosoof in gesprek: Joseph Ratzinger (rechts) en Jürgen Habermas (links)

In de huidige opvatting is seculier vooral een ruimtelijke metafoor: de aarde, niet de hemel, hier beneden, niet boven. Maar oorspronkelijk was het een temporele aanduiding. Voor de zekerheid heb ik het woordenboek van Harm Pinkster er nog maar eens op nageslagen en voor saeculum of saeclum hij geeft betekennissen als: mensenleven, generatie, tijd, tijdperk, eeuw, lange periode tot aan zeden en gewoonten van een bepaalde tijd. Seculier zou in die zin verder gedacht een aanduiding zijn van de tijd zoals die tegenover de eeuwigheid staat. Pinkster noemt vervolgens de Kerklatijnse betekenis waarin de overgang naar een meer ruimtelijk verstaan al besloten ligt: vergankelijkheid, werelds bestaan. En hij noemt de bekende uitdrukking in saecula saeculorum – het zijn die woorden die steeds in mijn hoofd meezingen – en daarin wordt de tegenstelling tussen het tijdelijke en eeuwige overbrugd: in eeuwen der eeuwen, of met andere woorden, voor altijd, eeuwig. De temporele en de ruimtelijke betekenis hangen samen, dat is duidelijk: het tijdelijke is aards, het aardse tijdelijk.

-

Ik sloeg vervolgens mijn Van Dale uit 1976 even op – van de woorden die daarna opkwamen, heb ik het ontstaan meegemaakt en daarvoor heb ik gemeenlijk geen woordenboek nodig – en daar kwam ik twee afleidingen – alfabetisch rond het vanouds bekendere secularisatie en seculariseren geschikt – tegen, die beide aspecten uitdrukken: seculair en seculier. Seculair betekent onder meer honderdjarig en in een eeuw of per eeuw plaatsvindend. Kusten kunnen seculair dalen en rijzen, lees ik daar. Seculier staat echter voor wereldlijk, in een zeer specifieke zin overigens. Want, wat blijkt?

Wat ik eigenlijk wel dacht, namelijk dat de huidige invulling van seculier heel nieuw is, wordt daar namelijk onverwacht helder bevestigd. Naar mijn gevoel is het een woord dat pas de laatste paar jaar een sterke opgang gemaakt heeft, maar de aanloop zal langer geweest zijn. Het huidige gebruik geeft een in feite wel komische draai aan de oorspronkelijke betekenis. Het is namelijk een van origine bij uitstek kerkelijk woord en alleen in die zin kent mijn Van Dale uit 1976 het dan ook. Ik tik even het volledige lemma over:

Seculier’ (sekulier) ( <Fr.), I. bn. Wereldlijk, niet tot een orde of congregatie behorend (van kath. geestelijken); – II. zn. gemeensl. (-en), wereldlijk geestelijke.

Dat bn. voor een bijvoeglijk naamwoord staat en zn. voor zelfstandig naamwoord – trouwens ook twee van die termen waar ik maar nooit helemaal kan wennen kan, maar dan om heel andere redenen, namelijk omdat we op school altijd gewoon over adjectiva en substantiva spraken – zullen de meesten wel weten, maar misschien is het aardig en noodzakelijk om te vermelden dat gemeensl. aangevuld moet worden tot gemeenslachtig, hetgeen dus wil zeggen dat de aanduiding zowel op mannen als vrouwen kan slaan en dus zelf beide geslachten kan aannemen.

Het lemma laat dus mooi zien dat de wijze waarop seculier heden ten dage gebruikt wordt, enerzijds aansluit bij het traditionele kerkelijke gebruik en in zekere zin nog precies hetzelfde betekent, niet-religieus (in de zin van niet-regulier, niet gebonden aan een kloosterregel of gelofte) namelijk, maar dat anderzijds het kader volkomen veranderd is: van de kerk naar de maatschappij en vooral de politiek. Wat vooral een indeling van de staat van katholieke geestelijken was – seculier versus religieus – , is nu een indeling van alle mensen geworden, maar dan naar overtuiging – opnieuw religieus tegenover seculier. Seculiere geestelijken waren, mogen we aannemen, wel degelijk godsdienstig, van een seculier politicus weten we dat op voorhand niet.

Dat mensen in het algemeen religieus zouden kunnen zijn, is overigens een vrijwel even nieuwe opvatting. Mensen waren vroeger niet religieus, maar katholiek of hervormd of gereformeerd of zo. Soms waren ze christelijk, maar zelfs dat was een term die in Nederland veel vaker protestantse, en dan vooral gereformeerde, instellingen aanduidde dan katholieke. Christelijke scholen waren protestants, katholieke scholen waren wat in de volksmond rooms heette. Je had de K van KRO en de C in NCRV. Religieus is vooral een woord geworden dat nodig was, toen ook andere religies dan het christendom een belangrijkere plaats in het debat – meer nog dan in de maatschappelijke werkelijkheid – gingen innemen: de komst van de islam is daarbij wel de belangrijkste factor. En daardoor won dus ook de aanduiding seculier aan betekenis.

De kandidaat uit de jaren veertig en vijftig, humanistisch, is in feite met de ontkerkelijking en ontzuiling mee ten onder gegaan, althans ze had nauwelijks kans meer om te groeien – ze duidde te specifiek en te positief een bewuste levensopvatting aan. Seculier is eerder de meer positieve vervanging van onkerkelijk of ongelovig geworden. Die termen veronderstelden immers een soort impliciete norm – dat mensen vanouds wel kerkelijk of gelovig waren – en kreeg bij het groeien van de groep ook een te negatieve lading. Seculier is geen expliciete ontkenning, maar een bevestiging: wij horen bij de aarde. Het is het oude wereldlijk. Het Engels zal wel een handje geholpen hebben.

Je zou kunnen zeggen dat seculier als algemeen gebruikte aanduiding de logische uitkomst is van het secularisatieproces. Over secularisatie ging het vanaf de jaren vijftig of zestig immers veelvuldig. En om het even heel schetsmatig te zeggen: theologen vonden dat vaak prachtig, filosofen zorgelijk, tot aan Ad Verbrugge’s bezorgde beschouwingen in Tijd van onbehagen. Filosofische essays over een cultuur op drift uit 2004 aan toe. Mijn enige constatering nu is dat de uitkomst van het proces eigenlijk wel vanzelf moest leiden tot mensen die zichzelf en anderen seculier noemen, al viel de exacte term van tevoren uiteraard niet te voorspellen. De huidige sluit in ieder geval mooi aan.

-

Van de kerk naar de maatschappelijke en vooral politieke arena dus. Van lange verhalen over de historische oorsprong van de tweedeling – van keizer en paus, wereldlijk en geestelijk regiment tot aan heden toe – zie ik nu even af. Vooreerst is de vaststelling voldoende dat seculier tegenover religieus staat. Het betekent negatief niet-religieus, veel meer dan positief wereldlijk. In die zin staat de negatieve inhoud – wat het niet is – nog steeds veel meer voorop dan de positieve: het wereldlijke, aardse en tijdelijke. In weerwil van wat ik net opmerkte, is de transformatie van het negatieve prefix naar een term die op zichzelf kan staan, inhoudelijk dus nog niet voltooid. De woorden die het moest vervangen, spelen nog steeds mee, maar het woord getuigt van meer zelfbewustzijn. Maar wat is dat, niet-religieus? Daar begint de verwarring die momenteel in het publieke debat vaak meespeelt.

Naar mijn idee staan er twee opvattingen tegenover elkaar: een meer verbindende en een meer polemische, een insluitende en een uitsluitende. Seculier kan betekenen dat iemand of iets – een organisatie, een politieke partij – simpelweg niet religieus is. Religie speelt geen directe rol. Er is geen religieuze grondslag. Maar seculier kan ook betekenen dat men meer bewust niet religieus is, religie actief buiten de deur wil zetten of houden of zelfs zich tegen godsdienst afzet. Allerlei gradaties zijn mogelijk, verwarring ook.

Wie bijvoorbeeld opmerkt dat het wenselijk zou zijn dat in Egypte een seculiere grondwet zou worden ingevoerd, zal er in het algemeen niet voor zijn dat die anti-islamitisch is. Zo iemand pleit voor een politieke orde waarin voor iedereen gelijkelijk plaats is, voor moslims, voor kopten, voor mensen die zich als seculiersecular – in de hedendaagse betekenis beschouwen, en voor anderen. In die zin, maar alleen in die zin, is Nederland ook een seculier land: onze Grondwet kent aan iedereen, wat zijn levensovertuiging ook is, dezelfde rechten toe. Seculier is hier vooral een overkoepelend, verbindend begrip: een dak voor iedereen. Het is, denk ik, ongeveer deze opvatting van seculariteit waar Charles Taylor in zijn befaamde A Secular Age (2007) vooral op doelt: dat wat we samen delen als gemeenschappelijke basis. (Men ziet, ik ben snel weer beneden: van de nok naar de fundamenten. Voor het begrip maakt het niet zoveel uit.) De seculariteit is de uitgangspositie, die vervolgens verschillende opties biedt: ook geloof is anders dan vijf eeuwen geleden een mogelijkheid voor seculiere mensen, geen vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Daar staat een meer uitsluitende opvatting tegenover waarin seculariteit in feite andere opties uitsluit. Dat is de betekenis die in de Nederlandse politiek soms ook opduikt. In die zin gebruikt Tofik Dibi vandaag in De Pers, in een dubbelinterview samen met Mirjam Sterk, de term ook, niet om zijn eigen overtuiging te beschrijven – het gaat er juist om hoe hij als moslim in zijn partij staat – maar om een houding aan te duiden die hij binnen zijn partij wel aantreft:

‘Religie beleven ligt heel moeilijk binnen GroenLinks. Ik krijg heel vaak de vraag: ‘Ben je echt gelovig. Ben je echt moslim?’ Heel veel GroenLinksers hebben zoiets van: dat kan niet hoor. Seculiere GroenLinksers kijken je dan altijd drie keer aan. De partij is seculier en religiekritisch.’

Dat laatste is dus niet zijn opvatting, maar zo denken sommige mensen kennelijk: seculier en dus religiekritisch. Nou is kritiek iets anders dan tegen iets zijn en hij heeft het vervolgens dan ook over een haat-liefdeverhouding in zijn partij. In het algemeen – ik stap nu van die ene partij af – kan de nadruk op het niet sterker en minder sterk zijn. In het uiterste geval kan het betekenen dat iemand tegen godsdienst is en daar ook een politiek programma van maakt, maar dat is zeker geen vast gegeven.

-

In feite bevinden de twee invullingen zich op verschillende niveaus. Het is een beetje als met het – historisch samenhangende – verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Men weet dat het eerste, dat van de overheid uitgaat, voor iedereen bedoeld is, ongeacht achtergrond of levensopvatting, en dat het tweede gericht is op specifieke doelgroepen, die een bepaalde grondslag, die echt niet per se godsdienstig hoeft te zijn, delen. Maar toch heb ik iemand wel eens in volle ernst horen beweren dat openbaar onderwijs atheïstisch was. Dat getuigde uiteraard van ernstige ongeïnformeerdheid, maar op grond van de praktijk is dit misverstand ook weer niet helemaal onbegrijpelijk: als alle kerkelijke kinderen in een dorp naar een bijzondere school gaan, zitten de onkerkelijke al gauw bij elkaar op de openbare school. Maar zo was die natuurlijk niet bedoeld. Die was en is er juist voor iedereen.

Zo is het ook enigszins in het Nederlandse politieke landschap. Omdat er partijen zijn die als christelijk worden aangeduid, nemen sommige mensen daarom aan dat de andere partijen dan wel expliciet niet-christelijk of niet-religieus moeten zijn. Overigens is ook die benaming voor partijen als het CDA – dat overigens instemming met een ‘politieke overtuiging’ vraagt en niet vergt dat iemand zelf een christelijke achtergrond heeft –, CU en SGP tamelijk nieuw. Vroeger noemden we die partijen vooral confessioneel. Een CHU’er stond maatschappelijk uiteraard veel dichter bij een vrijzinnige Vrijheidsbonder, VDB’er of VVD’er of zelfs een onkerkelijke SDAP’er of PvdA’er dan bij een rooms-katholiek van de RKSP of KVP. Maar omdat er specifieke religieuze partijen zijn, denken sommigen dat andere partijen dan wel op dezelfde manier seculier moeten zijn, op hetzelfde indelingsniveau dus.

Dat was uiteraard, net als bij het onderwijs, niet de bedoeling en trouwens ook niet de praktijk. Iedereen zal zich nog herinneren dat de PvdA bij de Doorbraak de antithese juist wilde doorbreken, een ideaal dat overigens aansloot op het oude protestantse, met name hervormde, streven naar volkseenheid en in die zin vooral een herleving van oude praktijken en opvattingen was. De PvdA was een samenvoeging van een socialistische, een liberale en een confessionele partij van ongelijke omvang – SDAP, VDB en CDU, waarvan ook de eerste twee grote groepen kerkelijk meelevende leden kenden – met daarbij nogal wat mensen die overkwamen uit de CHU, en andere loslopende protestanten en katholieken. Het lijkt er op dat het verbindende perspectief waar de partij in 1946 op uit was, tegenwoordig soms ietwat uit het zicht raakt.

En GroenLinks, de partij van Tofik Dibi, is helemaal een interessant geval. Uiteraard was de oudste fusiepartner, de CPN, vanouds antigodsdienstig – met een historisch-materialistische grondslag kan het niet anders –, maar zelfs daar doken in de slotfase nog wel eens gelovigen op, die het onmogelijke combineerden. En de andere drie fusiepartijen kennen allen een sterke kerkelijke inbreng. Bij de oprichting van de PSP in 1957 waren nogal wat linkse dominees en progressieve christenen betrokken. De PPR ontstond in feite vanuit het christenradicalisme in de KVP, al was de toonaangevende voorman, Bas de Gaay Fortman, afkomstig uit een antirevolutionair geslacht; de man heeft nog steeds een preekbevoegdheid. En de kleine EVP – de naam zegt het al – was wat men vandaag de dag een christelijke partij zou noemen.

Ik loop nu niet alle partijen af, maar merk alleen nog op dat de VVD, in feite de partij van de min of meer vrijzinnig-protestantse, vooral hervormde, burgerij, bij haar oprichting in 1948 in het programma schreef dat de Nederlandse samenleving op een ‘christelijke grondslag’ berustte. Ook met terugwerkende kracht zou men al deze partijen seculier kunnen noemen in de zin dat ze geen expliciet religieuze grondslag hadden, maar voor iedereen met dezelfde politieke beginselen openstonden.

-

Seculier kan dus verschillende dingen betekenen. De een verstaat er iets anders onder dan de ander en een ‘dus’ is meestal niet logisch dwingend. Politiek en maatschappelijk kan het woord kan aanduiden wat allen of velen verbindt, maar het kan ook meer polemisch gebruikt worden. Het ligt vooral aan het niveau waarop het gebruikt wordt: overkoepelend en verbindend of juist voor een bepaalde, exclusieve groep en opvatting. Een meer formele of ‘lichte’ invulling staat in feite tegen meer materiële of ‘zware’ interpretatie.

Het probleem zit ook in de verschillende toepassingen of contexten: van het persoonlijke leven naar het politieke of maatschappelijke bereik. Iemand die zegt, dat hij niet religieus is, kan niet tegelijk toch wel religieus zijn – Aristoteles, het principe van de uitgesloten tegenspraak, we herinneren het ons nog. Maar als een partij of een organisatie niet religieus is, wil dat nog niet zeggen dat de leden dat niet kunnen zijn. Als ze dat wel zijn, nemen alleen ze deel aan een verband dat als zodanig religieus is. In een groot deel van hun leven doen ze niet anders. Als je als dat niet religieus zijn van maatschappelijke of politieke verbanden en van individuele personen allebei seculier noemt, bedoel je op beide niveaus iets anders.

Maar je kunt met Taylor seculier dus ook breder, algemener, opvatten, als de basale condition humain, die we met zijn allen delen. Dan kun je dus wel degelijk tegelijk seculier en religieus zijn, zonder in de door de filosoof verboden tegenspraak te vervallen. Seculier heeft dan wel de denotatie van iets als wereldlijk of aards, maar niet die van niet-religieus. In feite heeft het dan een veel positievere betekenis, heeft het ter invulling geen contrair begrip nodig en kan het meer op eigen benen staan

Maar, hoe iemand het begrip ook gebruikt, altijd gaat het om een erfenis van de wijze waarop de Latijnse christenheid de wereld indeelde.

Ik wilde vooral uitleggen, maar het zal duidelijk zijn waar mijn voorkeur ligt.

(6)

13 oktober 2011

Filosofie gaat over tafels

.:.

Filosofie gaat over tafels. Of men ze kan kennen. En of ze wel bestaan.

Tafels zijn het meest besproken object in de wijsbegeerte, althans de epistemologie, vermoed ik zo. Soms gaat filosofie trouwens ook nog over de stoel waarin de auteur zit en hoe die aanvoelt. En over de boom voor het raam. De wereld is groot, zullen we maar zeggen.

Model Russell door Niels Bendtsen voor Bensen

Neem Bertrand Russell, The Problems of Philosophy (1912), dat ik hier in de Nederlandse vertaling uit 1967 voor me heb, Problemen der filosofiedus – het lidwoord is in een halve eeuw tijds kennelijk gesneuveld. Direct op de eerste bladzijde is het al raak:

‘Ik stel mij voor dat ik nu in een stoel zit aan een tafel van een bepaalde vorm, waarop ik beschreven of bedrukte vellen papier zie liggen.’

Ik heb even nagedacht waarom hij niet gewoon schreef dat hij aan die tafel zat, maar ik meen dat Russell nogal veel dicteerde. De kans lijkt me niet uitgesloten dat hij op en neer ijsbeerde, terwijl een secretaresse aan een bureau – hoewel op plaatjes zitten ze altijd met een blocnote op schoot naast of voor schrijftafels – zijn woorden opschreef. Ik ga dat nu niet nakijken; ik kan u dus ook op verkeerde ideeën brengen.

Hoe het ook zij, het komt er op neer dat dat hele eerste hoofdstuk, ‘verschijning en werkelijkheid’ geheten, over die tafel gaat. En het ding verdwijnt steeds verder uit zicht. Niets blijken we met stelligheid te weten: de kleur blijkt niet te kloppen, althans steeds anders te zijn, het hout blijkt, als we wat nauwkeuriger kijken, ook al niet zo keurig glad te zijn en de vorm is bij nader inzien zogezegd ook niet erg vormvast. En zo gaat het aan de hand van Berkeley en Leibniz nog een tijdje door. Het gaat van kwaad tot erger, mits men dit epistemologisch en niet moreel opvat. Het is ‘verbijsterend’, zegt Russell er zelf van.

‘Zo is onze vertrouwde tafel, die eerst slechts heel vluchtige gedachten bij ons had opgewekt, tot een probleem geworden met verrassende mogelijkheden. Het enige wat er van weten is, dat ze niet is wat ze schijnt te zijn.’

Kortom, de tafel wordt steeds minder werkelijkheid en steeds meer verschijning dus, zoals de hoofdstuktitel zegt. En de vraag of die tafel bestaat, wordt dan nog even tot het volgende hoofdstuk uitgesteld.

Wat moeten we hiermee? Is dit allemaal onzin? Nee, sommige redeneringen zijn best aardig en zo af en toe moeten zulke vragen ook gesteld worden, want het verhaal gaat natuurlijk veel verder. Misschien gaat het wel degelijk om fundamentele vragen. Maar als ik dat zo opschrijf, ben ik wel in een milde bui. Ik word namelijk vaak nogal iebel van zulke beschouwingen, vooral als ze leiden tot de conclusie dat we bijvoorbeeld die tafel an sich niet kunnen kennen – alsof we daar überhaupt op uit waren, dat ‘als zodanig’ bedoel ik – en alleen sense-data, dat was toentertijd Russells term, tot onze beschikking hebben. Ik meen namelijk te weten dat ik de tafel waaraan ik zit te werken, wel degelijk ken, al besef ik ook dat een kenner van materialen er nog allerlei andere dingen over weet, terwijl een designspecialist er nog weer anderssortige dingen over kan vertellen. We zien allemaal andere aspecten, maar we zien geen zintuiglijke gegevens, maar een tafel, zou ik zo zeggen. Volgens mij is die tafel wel degelijk wat ze lijkt te zijn: een tafel.

Heeft epistemologie in onze dagen nog zin? Gaat die filosofische richting nog ergens over? Aan de waarde twijfel ik in ieder geval nogal, vooral omdat sommige wijsgeren er zo diepernstig over doen. Hoe vaak heb ik al niet gelezen dat in de kentheorie de ‘kern’ van iemands wijsbegeerte lag? Die zou het fundament onder de rest vormen. Ik denk dan meestal: gelul. Misschien dat ik de verkeerde boeken lees, maar ik zie zelden dat de epistemologie nu echt doorslaggevend is. Vaak is het niet meer dan wat gegoochel. Je hebt wat termen – object subject, noumenon, phenomenon, a priori, a posteriori en nu vergeet ik vast en zeker de meest frequente –, je hutselt ze wat door elkaar, maakt nog wat onderscheidingen, legt allerlei verbanden en ziedaar, je hebt een heuse kentheorie bij elkaar. Diepzinnig, heel diepzinnig.

Of is dat te gemakkelijk? De vraag wat we kunnen weten of kennen, is natuurlijk niet gratuit. Over de randen van het kennen, over de verhouding van immanentie en transcendentie bijvoorbeeld, en wat die termen betekenen, waar ze voor staan en hoe ze zich tot elkaar verhouden, zijn er wel degelijk verschillende visies, die nogal bepalend kunnen zijn voor hoe mensen in het leven staan. Maar zulke vragen kun je eigenlijk alleen goed behandelen in samenhang met ontologie en metafysica en hoe je de bezinning op ons menselijk bestaan verder ook maar aanduidt. Of epistemologie als afzonderlijke discipline dan nog veel waarde heeft? Ik weet het niet.

Naast het bestaan als zodanig is er natuurlijk dat specifieke corpus aan kennis dat we wetenschap noemen en dat trouwens behoorlijk overloopt in wat we van dag tot dag zo opmerken en beweren. En bezinning daarop is nooit weg. In die zin heeft de klassieke epistemologie zich dan ook vooral voortgezet als wetenschapsfilosofie. En ook dan zijn vragen naar wat zekere of betrouwbare kennis is, naar verificatie en falsificatie, zeker van belang. Maar ook dergelijke vragen doen het het best als ze met concrete wetenschapsbeoefening verbonden worden. Ze zijn als het ware in de praxis van het onderzoek en het schrijven – veel wetenschap, vooral in brede zin, is gewoon een kwestie van een verhaal opschrijven of een betoog verzinnen – opgenomen.

Op mij maakt epistemologie vaak een beetje de indruk een fossiel te zijn. Ooit was het een spannend en hoogstnoodzakelijk vak, zo tussen Bacon of Descartes en Kant, zeg maar. Dat was de tijd waarin aan het beeld van de wereld gesleuteld werd en er fundamentele ontdekkingen gedaan werden. Beelden kantelden, heet dat dan. Maar ook toen was er een intensieve samenhang met de nieuwe natuurwetenschap – waarvan het ontstaan in de zestiende, zeventiende eeuw kantje boord was, als ik de boodschap van Floris Cohen goed onthouden heb – en met het denken over de inrichting van de samenleving in de vorm van met name allerlei natuurrechtsfilosofieën. Toen was epistemologie dus geen hersenkrakerij als interessante vrijetijdsbesteding. Descartes’ Discours de la methode uit 1637 was de methodologische – de titel zegt het al – inleiding bij drie verhandelingen over dioptriek, meteorologie en meetkunde. Ik vermoed dat veel filosofiestudenten die maar overslaan. En over de betreffende onderwerpen is ook wel wat nieuwere literatuur te vinden.

Het ging niet om filosofie, maar om wetenschap. Maar men noemde dat wel filosofie. Dat was tot het eind van de achttiende eeuw, misschien nog wel langer, een alledaagse aanduiding voor wetenschap. Maar wij hebben die twee uit elkaar gehaald. Of beter: de wetenschap heeft zich zelfstandig in allerlei disciplines voorgezet. Het verhaal van de vroegmoderne epistemologie is dan ook heel spannend, maar eigenlijk alleen als je die als onderdeel van de wetenschapsgeschiedenis beziet. Filosofie – en vooral filosofiegeschiedenis – in onze zin van het woord is in feite een historische constructie op grond van het wereldbeeld van nu. En dan krijg je dus het misverstand dat epistemologie een opzichzelfstaand vak zou zijn. Voor Descartes of Locke was de kenleer iets heel anders dan voor hedendaagse filosofen: een onderdeel van hun poging om de wereld wetenschappelijk en praktisch te begrijpen. Daar komt overigens nog bij dat juist het empirisme de epistemologie complexer maakte. Als je in aangeboren ideeën gelooft, is het niet zo moeilijk: die zitten al in je hoofd. Maar als je de ervaring en de zintuiglijke wereld vooropstelt, is het nog een heel verhaal hoe wat je ziet of hoort of ruikt, als idee of voorstelling in je brein terechtkomt of in de vorm van woorden op je lippen belanden. Het is ook het probleem van de correspondentietheorie van de waarheid: wat komt er nu precies met wat overeen? Woorden en bakstenen verschillend immers nogal en toch correspondeert je beschrijving van een monumentaal pand met iets buiten de taal.

Natuurlijk kan het aardig puzzelen zijn op een tekst van Kant, of van Chisholm bijvoorbeeld, om maar eens iemand te noemen wiens werk ik niet ken en van wie ik het vage idee heb dat dat wel zou moeten. Maar of het allemaal zulke diepe inzichten oplevert? Mij vaak valt op dat filosofen enorme pretenties hebben, dat zij de échte vragen zouden stellen, maar in de praktijk van het leven lijken ze vaak niet meer te doorzien dan iemand die gewoon met zijn gezonde verstand redeneert. Over de meeste kennis, die we trouwens voor het overgrote deel van horen zeggen hebben en helemaal niet kunnen controleren, zijn we het namelijk helemaal niet oneens en als er twijfels oprijzen, kunnen wie die ter plekke bespreken.

Het meeste nut van epistemologie heb ik er altijd in gezien dat het tot een zekere behoedzaamheid kan leiden. Mensen denken al gauw meer te weten dan bij nader inzien het geval is. Men trekt zo zijn conclusies en daar betrap ik mezelf ook wel eens op. Voortdurend de vraag stellen wat je nu echt weet, dat is nuttig. Maar elke keer de vraag stellen naar de fundamenten, of ik die tafel wel ken, daar schiet je meestal niet veel mee op.

Maar dit is natuurlijk een heel oppervlakkig stukje.

(5)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers